Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan in kort geding over de medische geheimhoudingsplicht en de afgifte van een medisch dossier.

Het hof stelt voorop dat bij beantwoording van de vraag of een in kort geding verlangde voorziening, hetzij na toewijzing, hetzij na weigering daarvan, in hoger beroep voor toewijzing in aanmerking komt, zo nodig ambtshalve, mede dient te worden beoordeeld of de eisende partij ten tijde van het arrest van het hof bij die voorziening een spoedeisend belang heeft (HR 31 mei 2002, HR:2002:AE3437).

Kort geding. Nietig testament? Wilsonbekwaamheid erflater? Bewijs. Medische geheimhoudingsplicht. Afgifte medisch dossier.

De rechter oordeelt als volgt.

Op grond van artikel 7:454 lid 1 BW richt een dossier in met betrekking tot de behandeling van een patiënt.

De hulpverlener dient de bescheiden in dit dossier gedurende vijftien jaar vanaf het moment van vervaardiging van die bescheiden te bewaren (lid 3).

De hulpverlener is verplicht aan de patiënt desgevraagd inzage in en afschrift van de bescheiden te verstrekken (artikel 7:456 BW).

De hulpverlener mag aan anderen dan de patiënt geen inzage in of afschrift van deze bescheiden verstrekken dan met toestemming van de patiënt (artikel 7:457 lid 1 BW).

Deze geheimhoudingsplicht is tevens verwoord in artikel 88 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) en onder meer uitgewerkt in de richtlijn “Omgaan met medische gegevens” van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG).

Artikel 88 Wet BIG luidt: “Een ieder is verplicht geheimhouding in acht te nemen ten opzichte van al datgene wat hem bij het uitoefenen van zijn beroep op het gebied van de individuele gezondheidszorg als geheim is toevertrouwd, of wat daarbij als geheim te zijner kennis is gekomen of wat daarbij te zijner kennis is gekomen en waarvan hij het vertrouwelijke karakter moest begrijpen.”

Met deze geheimhoudingsplicht wordt beoogd te voorkomen dat een patiënt nalaat geneeskundige hulp in te roepen uit vrees dat hetgeen hij toevertrouwt aan de hulpverlener aan anderen wordt geopenbaard.

Deze geheimhoudingsplicht geldt gelet op de hiervoor vermelde strekking ook na het overlijden van een patiënt.

Zij geldt ook ten aanzien van zijn erfgenamen, tenzij zij mentor van de overleden patiënt waren of de patiënt bij leven heeft ingestemd met het verstrekken van inzage in of afschrift van zijn medisch dossier aan (een of meer van) zijn erfgenamen.

De geheimhoudingsplicht is niet absoluut.

Doorbreking daarvan kan aan de orde zijn als mag worden verondersteld dat de patiënt zijn toestemming zou hebben gegeven als hij zich had kunnen uitlaten over inzage in zijn medisch dossier na zijn overlijden (vgl. Hoge Raad, 21 oktober 2008, HR:2008:BD7871) of als er voldoende concrete aanwijzingen bestaan dat een ander zwaarwegend belang geschaad zou kunnen worden door het handhaven van het beroepsgeheim.

In dat geval moet aannemelijk zijn dat het medisch dossier daarover opheldering kan geven en dat deze opheldering niet op andere wijze kan worden verkregen (Hoge Raad, 20 april 2001, HR:2001:AB1201).

Het hof zal de grieven gezamenlijk behandelen.

Appellante vraagt het hof de zaak in volle omvang te beoordelen. Zij stelt dat geïntimeerde gehouden is tot het doorbreken van zijn medisch beroepsgeheim en inzage moet geven in het medisch dossier van vader.

Er was uitdrukkelijke – schriftelijke – toestemming van vader tot inzage van zijn medisch dossier door appellante.

Voorts zijn er zwaarwegende belangen om het medisch dossier in te zien.

Het pand is door vader tegen een aanmerkelijk lagere waarde dan de marktwaarde verkocht aan de partner van haar zus.

Hiermee is het vermogen van de B.V. en daarmee dat van de nalatenschap van haar vader benadeeld, terwijl aan haar moeder geen verteringsbevoegdheid toekomt.

Hiermee is het uitgangspunt van haar vader om zijn kinderen gelijk te behandelen doorkruist, hetgeen hij zelf nooit gewild zou hebben, en is het effect hiervan feitelijk gelijk aan die van een testamentswijziging ten nadele van appellante.

Uit de CIZ-verklaring van16 november 2017 van vader blijkt dat zijn geheugen achteruit ging wegens dementie en was hij in elk geval op die datum zodanig dementerend dat beschermd wonen met intensieve dementiezorg noodzakelijk was.

Dit proces moet, aldus nog steeds de advocaat van appellante, al geruime tijd aan de gang geweest zijn. Appellante stelt dat de bewindvoerder van moeder zich zal kunnen beroepen op de wilsonbekwaamheid van vader (artikel 3:34 lid 1 BW en het daar genoemde wettelijk vermoeden), een wilsgebrek bij[vader (misbruik van omstandigheden, artikel 3:44 BW) of onrechtmatige handelen van diens wederpartij).

Dat heeft zij in deze procedure voldoende onderbouwd.

De missende schakel in haar redenering is de vraag naar de toestand van het geestvermogens van [vader] ten tijde van de verkoop en /of de levering van het pand.

Voor de beantwoording van die vraag is de medische informatie onontbeerlijk, aldus de advocaat van appellante.

Het hof oordeelt als volgt.

Appellante heeft een verklaring gedateerd op 13 juli 2017 overgelegd, waarin is weergegeven dat zij 12 juli 2017 met haar vader in de huisartspraktijk van geïntimeerde was, dat haar vader duidelijk aangaf dat zij “de gegevens van de MRI test van hem en moeder mag ontvangen”, en waarin zij de huisarts heeft verzocht de gegevens digitaal aan haar te doen toekomen. Deze verklaring is door haarzelf en door vader ondertekend.

Gelet op deze verklaring en op de aanwezigheid van vader zelf in de huisartspraktijk gaat het hof ervan uit dat mag worden verondersteld dat vader zijn toestemming zou hebben gegeven als hij zich had kunnen uitlaten over inzage in zijn medisch dossier, ook na zijn overlijden.

Daarnaast is het hof op grond van de niet bestreden stellingen van appellante van oordeel dat in de onderhavige omstandigheden van het geval voldoende concrete aanwijzingen bestaan dat een ander zwaarwegend belang – het belang bij een eerlijke verdeling van zijn nalatenschap tussen de kinderen – geschaad zou kunnen worden.

Tevens acht het hof gelet op die omstandigheden voldoende aannemelijk dat het medisch dossier daarover opheldering zou kunnen geven en dat deze opheldering niet op andere wijze kan worden verkregen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.