De Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 9 juni 2020 uitspraak gedaan over de geheimhoudingsplicht van een huisarts bij de bewijsvoering van de wilsonbekwaamheid van de erflater.

Tussen eisers en de huisarts is in geschil of het medisch beroepsgeheim van de huisarts de afgifte van het medisch dossier van erflaatster aan eisers belet.

Eisers stellen in dit verband, verkort weergegeven, dat hun belangen zodanig zwaarwegend zijn dat de geheimhoudingsplicht van de huisarts dient te worden doorbroken.

Eisers stellen dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat erflaatster ten tijde van het opmaken van het testament van 23 juni 2016 niet wilsbekwaam was en er niet zelf voor gekozen heeft om haar testament te wijzigen, omdat zij daartoe niet in staat was.

In dit verband hebben [eisers] verder aangevoerd dat erflaatster sinds 2015 verward en vergeetachtig was en om die reden in 2017 ook onder bewind is gesteld, omdat zij volgens haar huisarts niet meer in staat was om haar eigen wil te bepalen.

Daarnaast hebben eisers aangevoerd dat erflaatster in juni 2016 vanwege haar (geestelijke) gezondheid hulpbehoevend was geworden.

Hierbij hebben eisers aangevoerd dat erflaatster ná het overlijden in 2011 van de partner van erflaatster de (financiële) administratie van erflaatster had overgenomen omdat erflaatster dat zelf niet kon beheren.

Verder hebben eisers verwezen naar diverse omstandigheden, ondersteund met verklaringen, waaruit volgt dat erflaatster verward, vergeetachtig en afwezig was.

Daarbij hebben eisers aangevoerd dat erflaatster als gevolg van haar verwardheid en vergeetachtigheid wantrouwend werd richting personen in haar omgeving.

Dat erflaatster ten tijde van het opmaken van het testament van 23 juni 2016 niet wilsbekwaam was omdat zij leed aan Alzheimer dementie volgt volgens eisers tevens uit de omstandigheid dat erflaatster haar huishouden én zichzelf verwaarloosde alsmede zichzelf sociaal distantieerde en omdat haar rijbewijs werd ingetrokken.

Volgens eisers zal het medisch dossier opheldering kunnen geven over de vraag of erflaatster in 2016 wilsonbekwaam was en daarmee ook over de vraag of erflaatster echt gewild heeft om haar testament uit 2006 te herroepen.

Eisers bepleiten dat het in het belang van erflaatster is dat haar eigen wens en wil wordt uitgevoerd.

In de visie van eisers kan uit de aangevoerde aanwijzingen bijna geen andere conclusie worden getrokken dan dat erflaatster op 23 juni 2016 reeds leed aan Alzheimer dementie en daardoor niet in staat was om haar eigen wil te bepalen.

Voor deze conclusie ontbreekt echter het concrete harde bewijs, reden dat eisers stellen dat zij een zwaarwegend belang hebben bij informatie uit het medisch dossier van erflaatster.

Eisers zijn voornemens om een procedure te starten om het bewuste testament nietig te laten verklaren.

Om deze procedure te kunnen voeren, althans in deze procedure hun stellingen te kunnen bewijzen, stellen eisers dat zij dienen te beschikken over het medisch dossier van erflaatster.

Bij een afweging van het algemene belang van het medisch beroepsgeheim, met de belangen van erflaatster en die van eisers dient het zwaarwegende belang van eisers om duidelijkheid te verkrijgen over de wilsbekwaamheid van erflaatster te prevaleren boven het algemene belang bij handhaving van het beroepsgeheim, aldus nog steeds de advocaat van eisers.

De huisarts heeft de vorderingen van eisers weersproken.

Nietig testament? Bewijsvoering van wilsonbekwaamheid van erflater. Geheimhoudingsplicht van een huisarts. Afgifte medisch dossier?

De rechter oordeelt als volgt.

De voorzieningenrechter overweegt, hierbij de verweren van de huisarts betrekkend, dat een hulpverlener op grond van artikel 7:454 lid 1 BW een dossier inricht met betrekking tot de behandeling van een patiënt.

De hulpverlener dient de bescheiden in dit dossier gedurende vijftien jaar vanaf het moment van vervaardiging van die bescheiden te bewaren (lid 3).

De hulpverlener is verplicht aan de patiënt desgevraagd inzage in en afschrift van de bescheiden te verstrekken (artikel 7:456 BW).

De hulpverlener mag aan anderen dan de patiënt geen inzage in of afschrift van deze bescheiden verstrekken dan met toestemming van de patiënt (artikel 7:457 lid 1 BW).

Deze geheimhoudingsplicht is tevens verwoord in artikel 88 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) en onder meer uitgewerkt in de richtlijn “Omgaan met medische gegevens” van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG).

Artikel 88 Wet BIG luidt:

“Een ieder is verplicht geheimhouding in acht te nemen ten opzichte van al datgene wat hem bij het uitoefenen van zijn beroep op het gebied van de individuele gezondheidszorg als geheim is toevertrouwd, of wat daarbij als geheim te zijner kennis is gekomen of wat daarbij te zijner kennis is gekomen en waarvan hij het vertrouwelijke karakter moest begrijpen.”

Met deze geheimhoudingsplicht wordt beoogd te voorkomen dat een patiënt nalaat geneeskundige hulp in te roepen uit vrees dat hetgeen hij toevertrouwt aan de hulpverlener aan anderen wordt geopenbaard.

Deze geheimhoudingsplicht geldt gelet op de hiervoor vermelde strekking ook na het overlijden van een patiënt.

Zij geldt ook ten aanzien van zijn erfgenamen, tenzij zij mentor van de overleden patiënt waren of de patiënt bij leven heeft ingestemd met het verstrekken van inzage in of afschrift van zijn medisch dossier aan (een of meer van) zijn erfgenamen.

De geheimhoudingsplicht geldt niet onverkort en kan doorbroken worden.

Dit volgt uit vaste rechtspraak (vgl. Hoge Raad 20 april 2001, NJ 2001, 600).

Hieruit volgt dat de geheimhoudingsplicht doorbroken kan worden als sprake is van voldoende concrete aanwijzingen dat door het beroep op de geheimhoudingsplicht een ander zwaarwegend belang geschaad zou kunnen worden.

Als door het beroep op de geheimhoudingsplicht een ander zwaarwegend belang geschaad zou kunnen worden, is een inbreuk op de geheimhoudingsplicht in een geval als het onderhavige mogelijk, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  1. er bestaan zwaarwegende aanwijzingen dat er sprake was van wilsonbekwaamheid ten tijde van het opmaken van het testament;
  2. aannemelijk is gemaakt dat de overledene, waar hij nog in leven geweest, toestemming gegeven zou hebben voor gegevensopenbaring (vgl. Hoge Raad, 21 oktober 2008, HR: 2008: BD7871) dan wel;
  3. deze wijze van gegevensopenbaring de enige effectieve mogelijkheid is om de gewenste opheldering te verschaffen.

Toetsend aan voormelde voorwaarden overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Vast staat dat erflaatster ruim tweeënhalf jaar vóór haar overlijden haar testament uit 2006 heeft herroepen en op 23 juni 2016 een ander testament heeft laten verlijden.

Deze omstandigheid brengt echter niet met zich dat een zwaarwegend belang in voormelde zin aan de zijde van eisers dient te worden aangenomen omdat eisers – naast drie neven en een nicht – erfgenaam van erflaatster zijn.

Een situatie van onterving – die als een indicatie voor een zwaarwegend belang zou kunnen gelden – is dus niet aan de orde.

Dat eisers beweren dat zij thans voor een kleiner deel aanspraak kunnen maken op de nalatenschap van erflaatster dan op grond van het testament uit 2006 leidt niet tot een ander oordeel.

De stellingname van eisers op dit punt berust immers op het vermoeden dat zij in het testament uit 2006 de enige erfgenamen van erflaatster waren.

Zulks is echter niet aannemelijk geworden.

Eisers baseren hun stellingname op dit punt immers enkel op de omstandigheid dat erflaatster hen als haar kinderen zou hebben beschouwd en tegen eisers in 2006 gezegd zou hebben dat ze laatstgenoemden in haar testament wilde benoemen en hun gevraagd heeft of zij een kopie van hun paspoort wilde geven zodat zij dit kon regelen met de notaris.

Hiermee is van een omstandigheid die het doorbreken van het medisch beroepsgeheim rechtvaardigt geenszins sprake.

Zelfs indien van laatst genoemde situatie dient te worden uitgegaan, kan een doorbreking van het medisch beroepsgeheim naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aan de orde komen.

Uit de door eisers aangevoerde omstandigheden volgen naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen concrete aanwijzingen om te vermoeden dat erflaatster ten tijde van de wijziging van het testament op 23 juni 2016 wilsonbekwaam was.

Al hetgeen eisers in dit verband hebben aangevoerd berust immers op vermoedens.

De in dit verband overgelegde verklaringen van familie en vrienden van erflaatster zijn in dit verband niet toereikend.

Die verklaringen zijn niet redengevend voor wilsonbekwaamheid ten tijde van het verlijden van het testament.

Bovendien betreffen de bewuste verklaringen steeds een relaas van door eisers zélf geselecteerde getuigen en zijn alle buiten rechte afgelegd.

Daar komt bij dat de huisarts onweersproken heeft aangevoerd dat het proces van dementie en/of Alzheimer – voor zover al aangenomen dient te worden dat bij erflaatster hiervan sprake was – een geleidelijk proces betreft dat in fases verloopt en niet gelijkgesteld dient te worden met ‘niet wilsbekwaam zijn’.

Hierbij heeft de huisarts gewezen op de omstandigheid dat de huisarts eerst op 10 april 2017 – ruim negen maanden na de datum van het testament van erflaatster van 23 juni 2016 – een verklaring heeft afgegeven dat erflaatster niet langer in staat geacht werd om haar materiële belangen zelf te behartigen en dat onder bewindstelling en mentorschap daarom aangewezen waren.

In dit kader merkt de voorzieningenrechter op dat erflaatster bij beschikking van 4 juli 2017 van de kantonrechter van deze rechtbank weliswaar onder bewind is gesteld maar dat de kantonrechter overwogen heeft dat hem gebleken is dat erflaatster in staat wordt geacht om zelf aan de bewindvoerder toestemming te geven voor het doen van beschikkingshandelingen en dat erflaatster in staat wordt geacht de rekening en verantwoording ter goedkeuring te ondertekenen.

Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat er zwaarwegende aanwijzingen zijn dat bij erflaatster sprake was van wilsonbekwaamheid ten tijde van het opmaken van het testament.

Daar komt bij dat eisers evenmin geslaagd zijn voldoende aannemelijk te maken dat erflaatster – indien zij nog in leven was geweest – haar toestemming had verleend tot inzage in haar medisch dossier.

In de van de zijde van de huisarts aangevoerde verklaring van de behandelend huisarts ligt immers besloten dat erflaatster daarvoor geen toestemming zou hebben verleend.

Deze stellingname hebben eisers niet weersproken.

Ten slotte geldt dat – toetsend aan voormelde voorwaarde c – de voorzieningenrechter niet aannemelijk acht dat eisers zonder het medisch dossier van erflaatster niet kan bewijzen dat erflaatster ten tijde van het opmaken van het testament van 23 juni 2016 wilsonbekwaam was.

Gelijk de huisarts heeft aangevoerd, geldt immers dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat het voor hen onmogelijk is middels getuigenverklaringen dan wel anderszins aan te tonen dat erflaatster wilsonbekwaam was tijdens het verlijden van het bewuste testament.

De slotsom luidt dat aan de hiervoor genoemde vereisten niet is voldaan, alsmede dat het belang van de huisarts bij handhaving van de geheimhoudingsplicht zwaarder weegt dan het belang van eisers bij doorbreking daarvan.

De vordering van eisers gericht tegen de huisarts dient dan ook te worden afgewezen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.