Van onze advocaat nietig testament. De Rechtbank Noord-Holland heeft op 22 augustus 2018 uitspraak gedaan over de vraag of een testament nietig was op grond van dementie van de erflater.

Nietig testament wegens dementie van erflater? Rechtsmacht en toepasselijk recht

De rechter oordeelt als volgt.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu eiser in het buitenland woonachtig is en stelt erfgenaam te zijn, is sprake van een grensoverschrijdende nalatenschap en dient allereerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vorderingen in conventie en in reconventie kennis te nemen.

De rechtbank beantwoordt die vraag wat betreft de vorderingen in conventie bevestigend op grond van de Verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging beslissingen op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring (hierna: de Erfrechtverordening).

Ingevolge artikel 24 jo. artikel 26 valt de testeerbekwaamheid onder het toepassingsgebied van de Erfrechtverordening. Artikel 4 van de Erfrechtverordening bepaalt dat de gerechten van de lidstaat waar de erflater op het tijdstip van overlijden zijn gewone verblijfplaats had, bevoegd zijn om uitspraak te doen over de erfopvolging in het geheel.

Nu erflater ten tijde van zijn overlijden woonachtig was in Nederland, is de Nederlandse rechter bevoegd om van de vorderingen in conventie kennis te nemen.

Ingevolge artikel 104 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem relatief bevoegd.

Ingevolge artikel 7 lid 2 Rv is de Nederlandse rechter ook bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen in reconventie, nu er voldoende samenhang bestaat tussen de vorderingen in conventie en die in reconventie.

Het recht dat van toepassing is op de vorderingen in conventie moet eveneens worden bepaald aan de hand van de Erfrechtverordening.

Ingevolge artikel 24 jo. artikel 26 van de verordening moet de bekwaamheid om te testeren worden beoordeeld aan de hand van het recht dat de verordening aanwijst voor de materiële geldigheid van de uiterste wilsbeschikking. Bij gebreke van een rechtskeuze is dat Nederlandse recht, nu erflater ten tijde van het passeren van het testament zijn gewone verblijfplaats in Nederland had.

Op de in reconventie ingestelde vorderingen tot opheffing van de gelegde conservatoire beslagen is Nederlands procesrecht van toepassing, omdat de beslagen in Nederland en naar Nederlands recht zijn gelegd. Voor zover daaraan wordt toegekomen moet de deugdelijkheid van de aan het beslag ten grondslag gelegde vordering worden beoordeeld aan de hand van het op die vordering toepasselijke recht.

De vraag of eiser onrechtmatig heeft gehandeld dan wel zichzelf ongerechtvaardigd heeft verrijkt door geld en/of goederen aan het vermogen van erflater te onttrekken staat los van de erfopvolging.

Het toepasselijke recht op de door gedaagde ingestelde vorderingen tot teruggave en tot betaling van schadevergoeding moet worden bepaald aan de hand van de Verordening (EG) nr. 864/2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Verordening Rome II).

Ingevolge artikel 4 van die verordening is het recht van toepassing van het land waar de schade zich voordoet. De gestelde schade heeft zich in het onderhavige geval voorgedaan in Nederland, zodat (ook) op de onderhavige vordering Nederlands recht van toepassing is.

Nietig testament wegens dementie van erflater? Bewijsvoering.

Eiser stelt primair dat het testament van erflater van 15 december 2015 nietig is, omdat erflater ten tijde van die testamentswijziging niet wilsbekwaam was.

Ter onderbouwing van die stelling verwijst eiser naar het rapport van 21 januari 2018 van G die op grond van het medisch dossier van erflater tot de conclusie is gekomen dat het zeer twijfelachtig en zelfs uiterst onwaarschijnlijk is dat erflater op 15 december 2015 in staat was te overzien en in te zien wat een testamentswijziging zou inhouden. Deze conclusie leidt er volgens eiser toe dat het op 15 december 2015 verleden testament op grond van artikel 3:34 van het Burgerlijk Wetboek (BW) nietig is.

Gedaagden voeren verweer. Beiden betwisten het rapport van G en betogen dat erflater tijdens het passeren van het testament wel wilsbekwaam was. Ter onderbouwing van die stelling verwijzen zij onder meer naar verklaringen van notaris Van der Kar, van de huisarts, van bekenden van erflater en naar hun eigen waarnemingen.

Kern van het geschil is dus of erflater ten tijde van het passeren van het testament op 15 december 2015 wilsbekwaam was.

Als dat niet zo was, is het testament op grond van artikel 3:34 BW nietig.

Dat artikel bepaalt dat als iemand van wie de geestvermogens blijvend of tijdelijk zijn gestoord iets heeft verklaard, een met de verklaring overeenstemmende wil wordt geacht te ontbreken als de stoornis een redelijke waardering van de bij de handeling betrokken belangen belette of als de verklaring wordt vermoed onder invloed van de stoornis te zijn gedaan.

De rechtbank stelt voorop dat de bewijslast ten aanzien van de gestelde geestelijke stoornis van erflater ten tijde van het passeren van het testament rust op eiser.

Bovendien dient hij te bewijzen dat de stoornis erflater heeft belet in een redelijke waardering van de betrokken belangen of dat de verklaring die heeft geleid tot het passeren van het testament van 15 december 2015 onder invloed van die stoornis is gedaan.

In de regel wordt aan de stelplicht voldaan door een voldoende onderbouwde medische verklaring in het geding te brengen die deze stelling ondersteunt (Hoge Raad 9 september 2016, NJ 2016/408).

Eiser heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat erflater op 15 december 2015 niet wilsbekwaam was een rapport overgelegd van G, neuroloog bij het Alzheimercentrum van het VUmc. G komt op basis van het medisch dossier van erflater tot de conclusie dat op basis van de ernst van de cognitieve stoornissen, geobjectiveerd aanwezig vanaf 2011, met gebrek aan ziekte-inzicht en -besef, zoals vastgesteld op 14 december 2015, het zeer twijfelachtig en zelfs uiterst onwaarschijnlijk is dat erflater op 15 december 2015 in staat was te overzien en in te zien wat een testamentswijziging zou inhouden.

In het rapport heeft G een opsomming gegeven van de relevante informatie uit het medisch dossier waaronder met name brieven van andere artsen die erflater de laatste jaren hebben onderzocht. In de toelichting op zijn conclusie gaat G in op de uitkomsten van de CAMCOG test die in 2014 bij erflater is uitgevoerd en de CT scan van augustus 2014 en geeft hij aan wat hij uit die uitkomsten afleidt en waarom.

Blijkens het rapport hecht G verder veel waarde aan de brief van het Centrum voor Ouderengeneeskunde (COGA) van het VUmc waar erflater de dag voor het passeren van het testament is onderzocht. De conclusies in die brief luiden: “dement, geen ziekte-inzicht, geen ziektebesef, gestoord lange en korte-termijn geheugen. MMSE 22/30. Zeer zorgelijke thuissituatie; door het geheugenprobleem weet patiënt niet dat hij insuline gebruikt (en nodig heeft!); zeer kwetsbare patiënt en gevraagd wordt met spoed aanvullende zorg in te zetten.”

De rechtbank acht het van belang dat G zijn oordeel heeft gebaseerd op objectieve informatie (de CAMCOG score en de CT scan) en op bevindingen en observaties van verschillende artsen die erflater zelf hebben onderzocht, waaronder de bevindingen van een arts van het COGA waar erflater de dag voor het passeren van het testament is onderzocht.

Op basis van die gegevens is G tot het oordeel gekomen dat de cognitieve stoornissen van erflater zo ernstig waren dat het uiterst onwaarschijnlijk is dat erflater op 15 december 2015 in staat was te overzien en in te zien wat een testamentswijziging zou inhouden.

Uitgaande van de specifieke kennis en kunde van G heeft hij naar het oordeel van de rechtbank op een voldoende inzichtelijke wijze de inhoud van het medisch dossier van erflater geanalyseerd en heeft hij op basis van de hem ter beschikking gestelde stukken tot het gegeven waarschijnlijkheidsoordeel over de wilsbekwaamheid van erflater kunnen komen.

Gedaagde heeft het medisch dossier van erflater en het rapport van G voorgelegd aan psychiater M en die deelt de conclusies van G niet. In zijn brief van 5 april 2018 erkent M dat uit onderzoeken blijkt dat sprake was van cognitieve achteruitgang van erflater, maar volgens hem kan op basis van informatie uit het medisch dossier niet voetstoots worden aangenomen dat erflater ten aanzien van de wens om het testament te wijzigen niet wilsbekwaam is geweest.

Op welke informatie uit het dossier M zich heeft gebaseerd en hoe hij die informatie heeft geïnterpreteerd blijkt echter niet uit zijn brief.

Ook gaat M niet in op de resultaten van de diverse onderzoeken (CAMCOG, MMSE en CT scan) waarop G zijn conclusie baseert.

M maakt slechts melding van eerdere signalen dat erflater onrustig en achterdochtig was, maar waarom die signalen meebrengen dat niet zou kunnen worden aangenomen dat erflater ten tijde van de testamentswijziging wilsonbekwaam was heeft M niet toegelicht.

Het gebrek aan onderbouwing in combinatie met het feit dat M – anders dan G – geen specifieke expertise heeft op het gebied van dementie maakt dat de rechtbank in de brief van M geen reden ziet om de conclusie van G ter zijde te schuiven.

De eigen analyse van het medisch dossier van erflater door gedaagde in de akte van 11 april 2018 en haar kritiek op de beoordeling door G van de diverse testwaarden laat de rechtbank buiten beschouwing.

Gesteld nog gebleken is dat gedaagde of haar advocaat medisch onderlegd en deskundig zijn om de uitkomsten van de diverse medische tests als de MMSE en de CAMCOG te interpreteren en waarderen.

Anders dan gedaagde stelt, blijkt uit het rapport bovendien dat G bij de interpretatie van de medische gegevens uit het dossier rekening heeft gehouden met de leeftijd van erflater. Hij schrijft in zijn rapport over de CT scan van augustus 2014: “toont duidelijke afwijkingen, meer dan passend bij de leeftijd.” Over de CAMCOG test schrijft G dat de score 66 is “met een afkap voor leeftijd en opleiding van 84”.

De rechtbank volgt gedaagden ook niet in hun verwijt dat G zich bij de bestudering van het medisch dossier van erflater teveel heeft gefocust op het vinden van medisch onderbouwde aanwijzingen voor cognitieve stoornissen bij erflater en zich te weinig heeft gericht op aanwijzingen die de stoornis weerspreken.

Uit de brief van M blijkt dat ook hij de beschikking heeft gekregen over het medisch dossier van erflater. Van gedaagden had dan ook verwacht mogen worden dat zij – via M – concreet hadden aangegeven welke informatie uit het medisch dossier G ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten.

Dat is niet gebeurd. De algemene kritiek op de focus van G is daarmee onvoldoende onderbouwd en geconcretiseerd en wordt alleen al daarom gepasseerd.

De kritiek van gedaagden dat G zich op het juridische vlak begeeft door de wijziging van het testament te beschouwen als een zware beslissing met verstrekkende gevolgen voor eiser is terecht.

De kwalificatie van de testamentswijziging is voorbehouden aan de rechtbank. De rechtbank ziet hierin echter geen aanleiding het rapport van G anders te waarderen, omdat de conclusie en de onderbouwing daarvan er niet op duiden dat de inhoud van het testament daarbij een rol heeft gespeeld. In de conclusie spreekt G ook niet over “de testamentswijziging” maar in het algemeen over “een testamentswijziging”.

Tot slot verwijzen gedaagden ter betwisting van de conclusie G dat het uiterst onwaarschijnlijk is dat erflater in staat was te overzien en in te zien wat een testamentswijziging zou inhouden, naar verklaringen van notaris Van der K, van de toenmalige advocaat van erflater mr. N, van vrienden/bekenden van erflater en de waarneming van gedaagden zelf.

Met betrekking tot de verklaring van de notaris dat erflater wilsbekwaam was merkt de rechtbank op dat de kamer voor het notariaat in haar beslissing van 21 november 2017 heeft geoordeeld dat de notaris in dit geval gerede twijfel had moeten hebben over de wilsbekwaamheid van erflater en zich door een deskundige had moeten laten voorlichten over de geestesgesteldheid van erflater.

De uitsluitend op zijn eigen waarneming gebaseerde inschatting van de notaris dat erflater wilsbekwaam was legt dan ook weinig gewicht in de schaal. De verklaring van huisarts F van 30 november 2015 kan evenmin worden gebruikt om de conclusie van G te weerleggen, omdat die verklaring een dag later weer door de huisarts is ingetrokken.

Gedaagden betwisten dat weliswaar, maar de e-mail van de juridisch adviseur en de notitie in het medisch dossier zijn duidelijk. Volgens gedaagden blijkt ook uit (door eiser overgelegde) verklaringen van B en A (een achterneef van erflater) dat erflater in december 2015 nog heel helder was. Gedaagde haalt hierbij niet alleen uiterst selectief de verklaringen aan, maar zij concludeert vervolgens eigenhandig dat het gedrag van erflater zoals beschreven in de verklaringen erop duidt dat erflater nog helder was.

Gesteld noch gebleken is echter dat gedaagde of haar advocaat de deskundigheid hebben om het gedrag van erflater medisch te beoordelen.

Gedaagden verklaren beiden dat zij zelf hebben waargenomen dat erflater tot begin februari 2017 zeer helder was. Gedaagde onderbouwt dat onder meer door erop te wijzen dat erflater zijn testament bewust wilde wijzigen, omdat hij zeer ontstemd was over het leeghalen van zijn kluis door eiser.

Die stelling wordt echter weersproken door de stukken in het dossier. Uit het proces-verbaal van aangifte van 6 november 2015 blijkt immers dat erflater op dat moment al niet goed meer wist wat er met de kluis was gebeurd en uit de uitspraak van de kamer voor het notariaat blijkt dat erflater bij de notaris als reden voor de wijziging van het testament ook niet de diefstal door eiser heeft genoemd.

In het licht van objectieve informatie uit het medisch dossier van erflater en de onder meer door de huisarts en D geuite zorgen over erflater zijn de eigen verklaringen van gedaagden dat erflater tot in 2017 helder was ook niet geloofwaardig. Noch de eigen verklaringen, noch de verklaringen van derden over de geestesgesteldheid van erflater kunnen de conclusie van G dan ook in voldoende mate weerleggen.

De slotsom van het vorenstaande is dat alle bezwaren van gedaagden tegen het rapport van G worden verworpen.

De rechtbank ziet geen aanleiding aan het rapport te twijfelen en volgt dan ook de daarin opgenomen conclusie dat op basis van de ernst van de cognitieve stoornissen zoals vastgesteld op 14 december 2015 zeer twijfelachtig en zelfs uiterst onwaarschijnlijk is dat erflater op 15 december 2015 in staat was te overzien en in te zien wat een testamentswijziging zou inhouden.

Die conclusie is voldoende voor de vaststelling dat erflater op 15 december 2015 leed aan een geestelijke stoornis die een redelijke waardering van de bij het testament betrokken belangen belette.

Het gevolg hiervan is dat een met het testament overeenstemmende wil van erflater wordt geacht te ontbreken.

Het testament is daarom op grond van artikel 3:34 lid 2 BW nietig.

De rechtbank zal de primaire vordering van eiser toewijzen en voor recht verklaren dat het testament van erflater van 15 december 2015 nietig is.

Nu het een verklaring voor recht betreft zal de vordering om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren wat dit onderdeel betreft worden afgewezen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de uitleg van een testament, over de wilsbekwaamheid van de erflater tijdens het opstellen van een testament, over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, over bewijsvoering in het erfrecht, over het internationaal erfrecht, over rechtsmacht en het toepasselijke recht in het internationaal privaatrecht (IPR), ook ingeval van een Brexit, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.