De Rechtbank Noord-Holland heeft op 26 augustus 2020 uitspraak gedaan over de vraag of een testament nietig was omdat de erflaatster niet meer in staat was tot een redelijke waardering van de bij een testament betrokken belangen.

Het gaat om de vraag of op 12 september 2018 de wil van erflaatster aan de door haar in haar testament opgenomen verklaringen ontbrak.

Als komt vast te staan dat op dat moment sprake was van een geestelijke stoornis die (i) in de weg stond aan een redelijke waardering van bij een handeling betrokken belangen, of (ii) dat de verklaring onder invloed van de stoornis is gedaan, gaat de wetgever ervan uit dat een met de verklaring overeenstemmende wil ontbreekt (het wettelijk vermoeden).

In dat geval is het testament nietig, omdat dat een eenzijdige niet-gerichte rechtshandeling betreft.

Dit staat in artikel 3:34 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Nietigheid testament? Was erflaatster niet meer in staat tot een redelijke waardering van de bij een testament betrokken belangen? Wilsgebrek?

De rechter oordeelt als volgt.

Voor een redelijke waardering van de bij een testament betrokken belangen is vereist dat erflaatster ten tijde van het maken daarvan in staat was op het gebied van erfrecht in vrijheid keuzes te maken, beslissingen te nemen en de gevolgen daarvan te overzien en kenbaar te maken. Ook moest zij ten tijde van het testeren in staat zijn de informatie of voorlichting die zij van de notaris kreeg zodanig te begrijpen dat zij deze bij haar keuzes en beslissingen kon betrekken.

Hierbij wegen mee de aard en de zwaarte van de geestesstoornis, de aard en de ingrijpendheid van de uiterste wilsbeschikking en de aard en de zwaarte van de daarbij betrokken belangen. Hoe zwaarder de geestesstoornis, hoe ingrijpender de beslissing en hoe zwaarwegender de belangen, des te hoger zijn de eisen die aan een redelijke waardering mogen worden gesteld.

Het is voorstelbaar dat iemand lijdt aan een geestelijke stoornis die er niet aan in de weg staat een legaat van een klein bedrag te maken, maar wel tot het maken van verdergaande uiterste wilsbeschikkingen, zoals erfstellingen of ontervingen. (GHARL:2017:9390).

In dit geval is sprake van impliciete onterving van een dochter van erflaatster die zij zeven maanden daarvoor een algemene volmacht had gegeven.

Dat is een ingrijpende wijziging.

Ook is sprake van erfstellingen ten aanzien van de kleinkinderen en de buren. Dat betekent dat aan het vermogen tot een redelijke waardering hoge eisen moeten worden gesteld.

Eisers stellen dat erflaatster ten tijde van het passeren van het testament van 12 september 2018 niet in staat was haar wil te bepalen.

Haar zoon verleende mantelzorg en deed haar geldzaken. Na zijn overlijden heeft eiseres deze taken overgenomen. De buren bemoeiden zich echter erg met de zorg, plaatsten een bel voor direct contact en zo werd erflaatster afhankelijk van hen. Verder brachten zij geld in rekening bij erflaatster voor de bij hen genoten avondmaaltijden.

Op 9 juli 2018 is erflaatster op verzoek van haar notaris onderzocht door een arts en specialist op het gebied van wilsbekwaamheid.

Aanleiding daarvoor was dat erflaatster haar volmacht aan eiseres wilde intrekken en aan buurman (gedaagde) wilde verstrekken. De overige gedaagden zijn daartoe met erflaatster naar notaris Heldring gegaan. Deze achtte nader onderzoek naar de geestvermogens van erflaatster nodig.

Deze oordeelde dat erflaatster niet meer in staat was haar wil naar behoren te bepalen en de reikwijdte van haar beslissingen te overzien.

Daarnaast adviseerde hij een onderbewindstelling en mentorschap vanwege haar progressieve ziektebeeld.

Gedaagden waren het niet eens met de onderbewindstelling en hebben verweer gevoerd tegen het verzoek daartoe door eiseres.

Binnen een maand na instelling van het bewind hebben gedaagden een verzoek ingediend tot ontslag van de bewindvoerder en benoeming van gedaagden.

Dit verzoek is afgewezen.

Pas na het overlijden van erflaatster kwamen eisers achter de inhoud van het testament.

Ook hebben gedaagden de woning van erflaatster al leeggehaald, aldus eisers.

Gedaagde stelt daartegenover dat erflaatster wel degelijk over de vereiste verstandelijke vermogens beschikte om haar testament op te maken.

Dit blijkt onder meer uit de verklaring van keuringsarts die haar op 8 augustus 2018 heeft onderzocht.

Erflaatster is ook nooit onder curatele gesteld.

Uit het indicatiebesluit van het CIZ blijkt dat dat ook helemaal niet nodig was.

Na de dood van de zoon van erflaatster kwam eiseres pas voor erflaatster zorgen. Zij heeft toen binnen enkele weken een volmacht bij de notaris geregeld. Erflaatster kwam er in juni 2018 achter dat haar rekeningen waren veranderd in en/of rekeningen en dat er geld van haar rekening verdween.

Ook was er een bedrag van € 3.800,- overgemaakt aan eiseres met de omschrijving ‘belastingvrije schenking’ waar erflaatster geen toestemming voor had gegeven. Zij heeft toen de volmacht weer ingetrokken en melding gemaakt bij de politie. De buren hielpen veel met de zorg en erflaatster stond erop dat er een financiële vergoeding tegenover de maaltijden stond. De notaris die het testament heeft verleden, had geen twijfel over de verstandelijke vermogens van erflaatster en heeft ook verder geen onderzoeken laten uitvoeren om eventuele stoornissen uit te sluiten.

De rechtbank oordeelt als volgt.

De arts heeft erflaatster op 9 juli 2018 onderzocht en zich uitgelaten over de kwestie. Zijn deskundigheid is door geen van de partijen in twijfel getrokken.

Hij verklaart stellig en gemotiveerd dat erflaatster de reikwijdte van haar wensen ten tijde van zijn onderzoek in juli 2018 niet kon overzien.

Naar zijn zeggen verklaarde erflaatster inconsistent en zei zij soms in één zin driemaal iets dat niet klopte

 Hij achtte haar na uitgebreid onderzoek een kwetsbare persoon in een afhankelijke positie en diagnosticeerde beginnende dementie.

Erflaatster imponeerde in eerste instantie verbaal sterk maar vertoonde façadegedrag, had stoornissen in haar korte- en langetermijngeheugen, en in haar oriëntatie in tijd.

Haar uiting dat zij een nieuw testament op wilde laten maken waarin ze iets wilde veranderen ten aanzien van haar dochter kon zij bij doorvragen niet nader invullen of motiveren.

Hij achtte haar niet in staat in september 2018 haar wil te bepalen bij het maken van een testament.

Dat is in lijn met zijn medische verklaring van 13 juli 2018 waarin hij melding maakt van een progressief ziektebeeld.

Dat uit de verklaring van de arts niet kan worden afgeleid dat erflaatster haar wil niet kon bepalen, zoals gedaagde zonder nadere toelichting stelt, kan de rechtbank niet volgen.

Op basis van deze verklaring kan worden vastgesteld dat een geestelijke stoornis (beginnende dementie) bij erflaatster een redelijke waardering van de bij het opmaken van het testament betrokken belangen belette.

Dat geldt temeer nu er, gelet op de ingrijpende beslissingen in het testament, hoge eisen aan de redelijke waardering moeten worden gesteld.

Dat betekent dat volgens de wet haar wil bij het maken van het testament wordt geacht te ontbreken.

Gedaagde heeft met de door haar ingenomen stellingen en processtukken het wettelijk vermoeden onvoldoende weerlegd.

Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

De arts heeft erflaatster op 8 augustus 2018 onderzocht op verzoek van gedaagden.

In het summiere verslag staat dat erflaatster wilsbekwaam is en heel goed duidelijk kan maken wat er met haar geld moet gebeuren als zij overlijdt.

Gedaagde maakt evenwel niet duidelijk hoe haar oordeel dat erflaatster in staat is de consequenties van haar beslissingen te overzien zich verhoudt tot haar standpunt dat erflaatster niet in staat is om haar wens verder door te denken omdat de materie te ingewikkeld voor haar is.

Verder is het opmerkelijk dat erflaatster vier dagen voor het passeren van het testament niet spreekt over een algemene onterving.

Zij uitte slechts de wens dat niet alles naar haar dochter ging. De buren worden daarbij niet genoemd.

De rechtbank stelt vast dat gedaagde ook geen gewag maakt van de door op 13 juli 2018 afgegeven andersluidende medische verklaring.

Niet duidelijk is of zij niet bekend was met deze medische verklaring of dat zij heeft nagelaten inzichtelijk te maken hoe zij deze heeft meegewogen in haar oordeel.

Daarbij komt dat de arts op gedetailleerde en overtuigende wijze heeft verklaard dat erflaatster zich heel stellig kon uiten, façadegedrag vertoonde en dat er echt doorgevraagd moest worden.

Dit vormde een reden om haar extra lang te onderzoeken. Ze heeft er geen blijk van gegeven dat zij dit heeft gedaan. Dit alles maakt dat het verslag van de observatie van onvoldoende gewicht in de schaal legt het wettelijk bewijsvermoeden te ontkrachten.

Het verweer van gedaagde dat in het indicatiebesluit van het CIZ (niets staat vermeld over een achteruitgang in de verstandelijke vermogens van erflaatster kan haar evenmin baten.

In verband met het wegvallen van intensieve mantelzorg is een besluit afgegeven voor 24-uurszorg met zorgprofiel ‘Beschut wonen met intensieve begeleiding en uitgebreide verzorging’ voor onbepaalde tijd. Dit, omdat erflaatster niet in staat werd geacht haar zorgbehoefte te herkennen en tijdig hulp te vragen.

Hieruit kan niet worden afgeleid dat erflaatster haar wil kon bepalen. Bovendien richt onderzoek dat aan een dergelijke indicatiestelling ten grondslag ligt, zich vooral op de zorgbehoefte van iemand en niet specifiek op het in staat zijn tot het opmaken van een testament.

Het standpunt dat erflaatster nooit onder curatele heeft gestaan en daarom wilsbekwaam is, kan in zijn algemeenheid geen opgeld doen.

Het gaat bovendien voorbij aan het feit dat de goederen van erflaatster onder bewind zijn gesteld en dat er een mentor is benoemd.

Dit betekent dat zij vanwege haar geestelijke of lichamelijke toestand bemoeilijkt werd in het ten volle waarnemen van haar belangen van vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke aard (artikelen 1:431 lid 1 aanhef en onder a en 1:450 lid 1 BW).

Dit bewind en mentorschap zijn uitgesproken nog geen twee weken voordat het testament werd opgemaakt.

Bovendien staat in de beschikking tot onderbewindstelling dat ter zitting is vastgesteld dat erflaatster niet in staat is om de rekening en verantwoording te begrijpen.

Dat uit deze procedures blijkt dat erflaatster een goede band had met haar kleinkind en haar buurman, zoals gedaagde stelt, maakt haar nog niet in staat tot een redelijke waardering van de bij het testament betrokken belangen.

De conclusie is dat de in het testament van 12 september 2018 opgenomen uiterste wilsbeschikkingen niet op de wil van erflaatster berusten.

Deze uiterste wilsbeschikkingen zijn daarmee nietig.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.