De Rechtbank Limburg heeft op 24 juni 2020 uitspraak gedaan over de vraag of het testament nietig was op grond van de wilsonbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament.

Eiser vordert te verklaren voor recht, dat het testament van erflaatster nietig is.

Beroep op artikel 3:34 lid 1 BW

Eiser beroept zich erop dat bij erflaatster sprake was van forse cognitieve stoornissen, passend bij Korsakov-dementie dan wel frontale dementie, en van verwardheid.

Gelet hierop leed erflaatster volgens eiser aan een geestelijke stoornis, waardoor zij niet is staat was haar wil te bepalen bij het opstellen van haar uiterste wilsbeschikking op 16 juni 2010.

Ter onderbouwing van die stelling heeft eiser verwezen naar de rapportages van 1 december 2004 en van 13 december 2004, opgesteld door klinisch geriater bij het Maaslandziekenhuis te Sittard.

Daarenboven verkeerde erflaatster in een afhankelijkheidsverhouding met gedaagde.

Gedaagde betwist dat er sprake is geweest van een geestelijke stoornis bij erflaatster ten tijde van het opstellen van het testament.

Hij heeft als verweer naar voren gebracht dat de rapportages waarnaar wordt verwezen, onvoldoende zijn om aan te tonen dat erflaatster onder invloed van een geestelijke stoornis haar testament zou hebben opgesteld.

Bovendien heeft de notaris geen reden gezien om het testament van erflaatster niet op te maken.

Gelet hierop mag er van uit worden gegaan dat erflaatster in staat was haar wil te bepalen, aldus de advocaat van gedaagde.

Is het testament nietig? Was de erflater wilsonbekwaam ten tijde van het opmaken van het testament?

De rechter oordeelt als volgt.

Artikel 3:34 lid 1 BW bepaalt dat een eenzijdige niet-gerichte rechtshandeling (zoals een testament) nietig is als de betrokkene niet in staat was zijn voor die rechtshandeling vereiste wil te bepalen.

Er is in dat geval sprake van wilsonbekwaamheid.

Voor toepassing van artikel 3:34 BW is vereist dat sprake is van een geestelijke stoornis.

Is die aanwezig, dan wordt de voor de rechtshandeling vereiste wil geacht te ontbreken indien (i) de stoornis een redelijke waardering van de bij de handeling betrokken belangen belette, of (ii) indien de wilsverklaring onder invloed van de stoornis is gedaan.

De wil wordt dus vermoed te hebben ontbroken als een stoornis aanwezig is en één van deze twee omstandigheden zich heeft voorgedaan.

Degene die zich op artikel 3:34 BW beroept, zal dit alles moeten stellen en zo nodig bewijzen.

Uit artikel 3:34 BW vloeit voort dat de wilsonbekwaamheid van de testateur moet worden beoordeeld naar het moment van het passeren van het testament.

De vraag ligt derhalve voor of erflaatster ten tijde van het opmaken van haar testament op 16 juni 2010 wilsonbekwaam was.

De rechtbank zal hieronder de rapportages van de klinisch geriater beoordelen waarnaar eiser verwezen heeft.

In het verslag heeft de klinisch geriater naar aanleiding van door haar verricht onderzoek, voor zover thans belang, als volgt vermeld:

Psychisch onderzoek:

Helder bewustzijn met een mentaal tempo wat traag is, oriëntatie in trias gestoord. Geheugen laat korte termijn geheugenstoornissen en inprentingsstoornissen zien. Het denken is normaal, de waarneming is normaal, de taalvaardigheid is redelijk intact, intelligentie imponeert als bovengemiddeld. Visueel ruimtelijke vaardigheden zijn gestoord en de meander is gestoord. De stemming is normofoor met een vlak effect. Er is sprake van oordeel- en kritiekstoornissen.

Bespreking:

Wij zagen een 86-jarige vrouw die op onze Diagnostische Dagkliniek kwam i.v.m. op somatisch vlak een fors hoge tensie met orthostase, waarschijnlijk passend bij slechte compliance. Hiervoor ook secundair enig hartfalen. Daarnaast enige deconditionering, o.a. gewichtsverlies, waarbij een matige zelfzorg ook het meest op de voorgrond staat. Er sprake van een incidentele intoxicaties van alcohol en benzols. (…). In verband met discrete neurologische afwijkingen is een CT-cerebrum verricht om onderliggende vasculaire problematiek uit te sluiten of aan te tonen.

Verder niveau van functioneren laat forse cognitieve stoornissen zien met een opvallend frontaal profiel. Hierbij moet worden aangetekend dat mw. fors initiatiefverlies heeft en een camouflerende houding heeft. Mogelijk dat de cognitieve stoornissen hierdoor beïnvloed worden. Het beeld past het meest bij een Korsakow-dementie, dan wel frontale dementie. Oriënterend neuropsychologisch testonderzoek zal verder plaats vinden. De ADL wordt zelfstandig verricht, de kwaliteit is matig. Hiervoor is aanvullende verzorging gewenst. (…).’

In het verslag 13 december 2004 heeft de klinisch geriater naar aanleiding van door haar nader diagnostisch verricht onderzoek, voor zover thans belang, als volgt vermeld:

‘Verder beloop:

Inmiddels is de diagnostische fase afgerond, waarbij bij het oriënterend neuropsychologisch testonderzoek m.n. forse amnestische problemen gezien werden, maar daarnaast ook stoornissen in alle hersenfuncties, waarbij het profiel niet verdacht was voor een Karsakow-dementie. Op de frontale testen waren lichte stoornissen, maar onvoldoende om van een frontale dementie te spreken. Gezien het verdere vaatlijden is een vasculaire origine van de problematiek nog het meest waarschijnlijk en oriënterend beeldvormend onderzoek is hiervoor nog afgesproken. (…).

Conclusie:

  1. Dementiesyndroom, DD vasculair c.q. degeneretief, matige ernst.
  2. Mobiliteitsstoornis bij sensore problematiek.
  3. Forse hypertensie met orthostase en secundair hartfalen bij compliance problemen.
  4. Gegeneraliseerde arthrose.
  5. Overbelast steunsysteem, dreigende falende situatie.

Niveau van functioneren:

Cognitief: matige dementie.

ADL: zelfstandig, kwaliteit slecht.

Mobiliteit: zelfstandig, met stok. Enig valgevaar.

Stemming/gedrag: camouflerende houding, lichte gedragsstoornissen, geen interventie nodig.

Sociaal: kwetsbaar systeem.’

De rechter oordeelt als volgt.

Gelet op het in artikel 3:34 BW bepaalde is het aan eiser te stellen en te bewijzen dat erflaatster ten tijde van het opmaken van het testament leed aan een stoornis van de geestvermogens en voorts dat deze stoornis toen een redelijke waardering van de bij het opmaken van het testament betrokken belangen heeft belet ofwel dat de verklaring onder invloed daarvan is gedaan.

Naar het oordeel van de rechtbank is eiser niet hierin geslaagd.

Daartoe is het volgende redengevend, in onderlinge samenhang beschouwd.

De geriater van erflaatster komt naar aanleiding van haar onderzoek in
december 2004 tot de conclusie dat bij erflaatster weliswaar sprake was van stoornissen in alle hersenfuncties, maar dat het profiel niet verdacht was voor een Karsakow-dementie.

Ook van frontale dementie was geen sprake.

Gezien het verdere vaatlijden was sprake van een dementiesyndroom met matige ernst, vasculair c.q. degeneratief van aard.

Op basis van de rapportages van 1 en 13 december 2004 kan niet worden vastgesteld dat cognitieve stoornissen van erflaatster een redelijke waardering van de bij het opmaken van het testament van 16 juni 2010 betrokken belangen hebben belet of dat de verklaring onder invloed daarvan is gedaan.

Uit de rapportage van 1 december 2004 blijkt dat erflaatster op dat moment een helder bewustzijn had en dat het denken en de waarneming normaal waren.

Er is geen medisch bewijs van latere datum overgelegd als onderbouwing voor de stelling dat erflaatster op 16 juni 2010 leed aan forse cognitieve stoornissen, passend bij Korsakow-dementie dan wel frontale dementie, zoals door eiser gesteld.

Evenmin is informatie van derden omtrent de geestelijke gezondheid van erflaatster rond het moment van het opstellen van het testament in het geding gebracht.

Ook indien erflaatster verwarde perioden kende, zoals door eiser gesteld, brengen deze verwardheid en de in 2004 vastgestelde cognitieve stoornissen nog niet mee dat erflaatster wilsonbekwaam was ten tijde van het opmaken het testament op 16 juni 2010.

Erflaatster woonde ten tijde van het opmaken van het testament nog zelfstandig en onbetwist is dat erflaatster ook nadien tot op zeer hoge leeftijd zelfstandig heeft gewoond.

Verder is van belang dat gaat het om een relatief eenvoudig testament, dat zelfs met een relatief laag kennisniveau te begrijpen is.

De stelling dat gedaagde ervoor heeft gezorgd dat alle sociale contacten met erflaatster zijn verbroken en dat erflaatster door gedaagde is geïsoleerd en erflaatster heeft bewerkt haar testament te wijzigen, mede gelet op de geestestoestand van erflaatster, kan niet worden gevolgd.

Immers, eiser heeft, zoals hiervoor overwogen, onvoldoende gesteld om te kunnen oordelen dat erflaatster niet in staat was haar wil te bepalen.

Nu, gelet op het vorenstaande, niet toereikend is onderbouwd dat voldaan is aan het bepaalde in artikel 3:34 lid 1 BW zal de vordering a zal worden afgewezen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.