Van onze advocaat nietig testament. De Rechtbank Noord-Holland heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de vernietiging van een testament wegens dementie van de erflater.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu eiser in het buitenland woonachtig is en stelt erfgenaam te zijn, is sprake van een grensoverschrijdende nalatenschap en dient allereerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vorderingen in conventie en in reconventie kennis te nemen.

De rechter beantwoordt die vraag wat betreft de vorderingen bevestigend op grond van de Verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging beslissingen op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring (hierna: de Erfrechtverordening).

Ingevolge artikel 24 jo. artikel 26 valt de testeerbekwaamheid onder het toepassingsgebied van de Erfrechtverordening.

Artikel 4 van de Erfrechtverordening bepaalt dat de gerechten van de lidstaat waar de erflater op het tijdstip van overlijden zijn gewone verblijfplaats had, bevoegd zijn om uitspraak te doen over de erfopvolging in het geheel.

Nu erflater ten tijde van zijn overlijden woonachtig was in A, is de Nederlandse rechter bevoegd om van de vorderingen in conventie kennis te nemen.

Ingevolge artikel 104 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem relatief bevoegd.

Ingevolge artikel 7 lid 2 Rv is de Nederlandse rechter ook bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen in reconventie, nu er voldoende samenhang bestaat tussen de vorderingen in conventie en die in reconventie.

Het recht dat van toepassing is op de vorderingen moet eveneens worden bepaald aan de hand van de Erfrechtverordening.

Ingevolge artikel 24 jo. artikel 26 van de verordening moet de bekwaamheid om te testeren worden beoordeeld aan de hand van het recht dat de verordening aanwijst voor de materiële geldigheid van de uiterste wilsbeschikking.

Bij gebreke van een rechtskeuze is dat Nederlandse recht, nu erflater ten tijde van het passeren van het testament zijn gewone verblijfplaats in Nederland had.

Eiser stelt primair dat het testament van de erflater van 15 december 2015 nietig is, omdat erflater ten tijde van die testamentswijziging niet wilsbekwaam was.

Ter onderbouwing van die stelling verwijst eiser naar het rapport van G die op grond van het medisch dossier van erflater tot de conclusie is gekomen dat het zeer twijfelachtig en zelfs uiterst onwaarschijnlijk is dat erflater op 15 december 2015 in staat was te overzien en in te zien wat een testamentswijziging zou inhouden.

Deze conclusie leidt er volgens eiser toe dat het op 15 december 2015 verleden testament op grond van artikel 3:34 BW nietig is.

Gedaagden voeren verweer. Gedaagden betwisten het rapport van G en betogen dat erflater tijdens het passeren van het testament wel wilsbekwaam was.

Ter onderbouwing van die stelling verwijzen zij onder meer naar verklaringen van notaris K, van de huisarts, van bekenden van erflater en naar hun eigen waarnemingen.

Vernietiging van een testament wegens dementie van erflater?

De rechter oordeelt als volgt.

Kern van het geschil is dus of erflater ten tijde van het passeren van het testament op 15 december 2015 wilsbekwaam was.

Als dat niet zo was, is het testament op grond van artikel 3:34 BW nietig.

Dat artikel bepaalt dat als iemand van wie de geestvermogens blijvend of tijdelijk zijn gestoord iets heeft verklaard, een met de verklaring overeenstemmende wil wordt geacht te ontbreken als de stoornis een redelijke waardering van de bij de handeling betrokken belangen belette of als de verklaring wordt vermoed onder invloed van de stoornis te zijn gedaan.

De rechter stelt voorop dat de bewijslast ten aanzien van de gestelde geestelijke stoornis van erflater ten tijde van het passeren van het testament rust op de eiser.

Bovendien dient de eiser te bewijzen dat de stoornis erflater heeft belet in een redelijke waardering van de betrokken belangen of dat de verklaring die heeft geleid tot het passeren van het testament van 15 december 2015 onder invloed van die stoornis is gedaan.

In de regel wordt aan de stelplicht voldaan door een voldoende onderbouwde medische verklaring in het geding te brengen die deze stelling ondersteunt (Hoge Raad, 9 september 2016, NJ 2016/408).

Eiser heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat erflater op 15 december 2015 niet wilsbekwaam was een rapport overgelegd van G, neuroloog bij het Alzheimercentrum van het VU-mc.

G komt op basis van het medisch dossier van erflater tot de conclusie dat op basis van de ernst van de cognitieve stoornissen, geobjectiveerd aanwezig vanaf 2011, met gebrek aan ziekte-inzicht en -besef, zoals vastgesteld op 14 december 2015, het zeer twijfelachtig en zelfs uiterst onwaarschijnlijk is dat erflater op 15 december 2015 in staat was te overzien en in te zien wat een testamentswijziging zou inhouden.

In het rapport heeft G een opsomming gegeven van de relevante informatie uit het medisch dossier waaronder met name brieven van andere artsen die erflater de laatste jaren hebben onderzocht.

De rechter acht het van belang dat de neuroloog zijn oordeel heeft gebaseerd op objectieve informatie en op bevindingen en observaties van verschillende artsen die erflater zelf hebben onderzocht, waaronder de bevindingen van een arts waar erflater de dag voor het passeren van het testament is onderzocht.

Op basis van die gegevens is G tot het oordeel gekomen dat de cognitieve stoornissen van erflater zo ernstig waren dat het uiterst onwaarschijnlijk is dat erflater op 15 december 2015 in staat was te overzien en in te zien wat een testamentswijziging zou inhouden.

Uitgaande van de specifieke kennis en kunde van G heeft hij naar het oordeel van de rechter op een voldoende inzichtelijke wijze de inhoud van het medisch dossier van erflater geanalyseerd en heeft hij op basis van de hem ter beschikking gestelde stukken tot het gegeven waarschijnlijkheidsoordeel over de wilsbekwaamheid van erflater kunnen komen.

De rechter ziet geen aanleiding aan het rapport te twijfelen en volgt dan ook de daarin opgenomen conclusie dat op basis van de ernst van de cognitieve stoornissen zoals vastgesteld op 14 december 2015 zeer twijfelachtig en zelfs uiterst onwaarschijnlijk is dat erflater op 15 december 2015 in staat was te overzien en in te zien wat een testamentswijziging zou inhouden.

Die conclusie is voldoende voor de vaststelling dat erflater op 15 december 2015 leed aan een geestelijke stoornis die een redelijke waardering van de bij het testament betrokken belangen belette.

Het gevolg hiervan is dat een met het testament overeenstemmende wil van erflater wordt geacht te ontbreken.

Het testament is daarom op grond van artikel 3:34 lid 2 BW nietig.

De rechter zal de vordering van eiser toewijzen en voor recht verklaren dat het testament van erflater van 15 december 2015 nietig is.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de uitleg van een testament, over de vereffening en verdeling van een erfenis, over het kindsdeel of over de legitieme, over de taken en bevoegdheden van een executeur, over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament of over de rechtsmacht en het toepasselijke recht in het internationale erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.