Van onze advocaat nietig testament. Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 19 maart 2019 uitspraak gedaan over de vraag of de erflater ten tijde van de totstandkoming van het testament dementerend was. Bewijsopdracht.

Geïntimeerden hebben in eerste aanleg – na wijziging van eis – gevorderd:

(i) Primair: de nietigverklaring dan wel vernietiging van het testament van erflater van 23 mei 2008 (hierna: het testament);

Subsidiair: te verklaren voor recht dat appellante aan het testament van erflater van 23 mei 2008 geen rechten kan ontlenen, alsmede te verklaren voor recht dat gelding heeft, en ten gevolge daarvan dient te worden uitgevoerd, het testament van erflater van 15 maart 2006;

Was erflater ten tijde van de totstandkoming van het testament dementerend? Bewijsopdracht.

De rechter oordeelt als volgt.

Teneinde toe te komen aan de fase van bewijslevering dient vast komen te staan dat [appellante] de stelling van geïntimeerden voldoende gemotiveerd heeft betwist.

Appellante heeft betwist dat sprake was van een geestelijke stoornis, dat erflater tot voor zijn overlijden niet onder medische behandeling was en hij zijn beroep als tandarts nog naar behoren kon uitoefenen.

Appellante heeft een groot aantal verklaringen overgelegd van onder andere patiënten waarin wordt verklaard dat zij tot zijn overlijden nog naar tevredenheid patiënt bij erflater waren en dat hij zijn werk als tandarts nog naar behoren uitoefende.

Voorts heeft appellante gewezen op de door haar overgelegde brief van mrs. K.J. van de D en Th.J.H. D van 28 mei 2009 waarin onder andere staat dat er voorafgaand aan het sluiten van het testament drie gesprekken met erflater zijn geweest, dat naar de waarneming van de heren Van den D en D erflater het testament heeft gewild en dat geen feiten of aanwijzingen zijn gebleken waaruit een discrepantie tussen de wil en de verklaring zou kunnen worden afgeleid.

Gelet hierop heeft appellante de stelling van geïntimeerden voldoende gemotiveerd betwist.

Ten aanzien van de stelling van appellante dat het bewijsaanbod niet voldoende specifiek en ter zake dienend is als gevolg waarvan het bewijsaanbod van geïntimeerden gepasseerd moet worden, overweegt het hof als volgt.

In eerste aanleg hebben geïntimeerden aangeboden hun stellingen te bewijzen, in het bijzonder door het overleggen van verklaringen van deskundigen alsmede door het horen van meer dan twintig getuigen dan wel deskundigen.

In hun memorie na verwijzing hebben geïntimeerden hun bewijsaanbod bevestigd en enkele met name genoemde getuigen voorgedragen.

De bezwaren die appellante tegen de getuigen heeft, komen erop neer dat hun verklaringen niet kunnen dienen tot een beslissing van de zaak.

De omstandigheid dat twee van de door geïntimeerden genoemde medisch deskundigen niet in contact zijn geweest met erflater staat er niet aan in de weg dat zij vanuit hun deskundigheid kunnen verklaren. Dat geldt ook voor dr. G, behandelend neuroloog van erflater.

Gelet op het arrest van de Hoge Raad is het hof van oordeel, anders dan appellante stelt, dat nog niet is komen vast te staan dat uit de verklaring van dr. G niet kan worden afgeleid dat erflater ten tijde van het opmaken van het testament niet wilsbekwaam was.

Evenmin valt in te zien dat geïntimeerden en patiënten niet (nader) zouden kunnen verklaren ten aanzien van feiten en omstandigheden in verband met de wils(on)bekwaamheid van erflater.

De bezwaren van appellante tegen de door geïntimeerden genoemde getuigen treffen dan ook geen doel.

Appellante stelt voorts dat het in strijd met de goede procesorde is voor zover het bewijsaanbod zoals gedaan bij memorie na verwijzing strekt tot het alsnog overleggen van schriftelijke stukken: geïntimeerden had die stukken voor het arrest van het hof Den Haag van 24 juni 2014 moeten overleggen, dan wel (naar het hof begrijpt) bij de memorie na verwijzing zelf, voor zover dat laatste al niet in strijd met de goede procesorde zou zijn geweest gelet op de beperkingen van de behandeling na verwijzing.

Ook dit betoog volgt het hof niet. Op grond van artikel 152 Rv kan bewijs worden geleverd met alle middelen, tenzij de wet anders bepaalt.

Het staat geïntimeerden dan ook in zijn algemeenheid vrij bewijs te leveren door middel van schriftelijke stukken, zij het dat dit wordt begrensd door de goede procesorde indien het hof van oordeel is dat de desbetreffende stukken eerder hadden moeten worden ingediend.

Gelet op het voorgaande acht het hof het bewijsaanbod van geïntimeerden voldoende specifiek en ter zake dienend.

Evenzo staat het geïntimeerden in beginsel vrij bij het bewijsaanbod te vermelden dat zij onder meer maar niet uitsluitend bepaalde met name genoemde getuigen willen voordragen.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het bewijsaanbod van geïntimeerden voldoende specifiek en ter zake dienend is.

Het hof zal geïntimeerden overeenkomstig het door geïntimeerden gedane aanbod tot het bewijs van hun stelling toelaten, als na te noemen. Voor het overige zal het hof iedere beslissing aanhouden.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid van een testament, over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.