Het Gerechtshof Den Haag heeft op 6 augustus 2019 uitspraak gedaan over de vraag wie in dit geschil wie enig erfgenaam is in een nalatenschap. Er is geen testament, maar wel een concept. Dient in het onderhavig geval daarom op grond van de redelijkheid en billijkheid te worden afgeweken van het wettelijk vormvoorschrift van artikel 4:109 BW?

Wie is erfgenaam? Er is geen testament, maar wel een concept-testament. Vormvoorschriften van een rechtsgeldig testament. Wil van de erflater. Redelijkheid en billijkheid

De rechter oordeelt als volgt.

Erfopvolging kan op twee manieren plaatsvinden: erfopvolging bij versterf (ofwel het wettelijk stelsel van erfopvolging) dan wel erfopvolging krachtens uiterste wilsbeschikking.

Het wettelijk stelsel van erfopvolging kan alleen (deels) opzij gezet worden door een uiterste wilsbeschikking (artikel 4:1 BW).

Ingevolge artikel 4:94 BW kan een uiterste wil, behoudens de in de wet aangegeven noodgevallen (artikelen 4:97 tot en met 107 BW), alleen worden gemaakt bij een notariële akte of bij een aan een notaris in bewaring gegeven onderhandse akte.

Een uiterste wil is nietig, indien aan de akte van uiterste wil of aan de akte van bewaargeving, zo deze voorgeschreven is, de vereiste ondertekening door de erflater ontbreekt, artikel 4:109 lid 1 BW.

Voorts bepaalt het tweede lid van artikel 4:109 BW dat een uiterste wil die ten overstaan van een notaris moet worden gemaakt, nietig is, indien de akte van uiterste wil niet door de notaris is ondertekend.

Het uitgangspunt is dat een ieder een uiterste wil moet kunnen maken.

Deze uiterste wil moet, zoals hiervoor aangegeven, bij notariële akte dan wel bij een aan de notaris in bewaring gegeven onderhandse akte worden opgesteld.

De waarborg van de tussenkomst van de notaris is nu juist dat deze op het moment van het passeren van de akte kan nagaan of hetgeen in de akte is opgenomen op dat moment ook daadwerkelijk de uiterste wil van erflater is.

Dit is ook de reden waarom een notaris, alvorens tot het verlijden van de akte over te gaan, mededeling doet van de zakelijke inhoud van die akte en daarop een toelichting geeft.

In het onderhavige geval staat vast dat er geen sprake is van een notariële akte noch van een aan de notaris in bewaring gegeven onderhandse akte.

Het is slechts gekomen tot het opstellen door de notaris van een concept-testament na een gesprek met de erflater.

Volgens eiser is dit concept-testament in overeenstemming met de wil van de erflater opgesteld.

Het kan in het onderhavige geval op het moment van het opstellen van het concept-testament de wil van erflater zijn geweest om eiser tot zijn enig erfgenaam te benoemen.

Daarmee is echter nog niet gegeven dat ook op het moment dat de akte daadwerkelijk zou zijn gepasseerd – en daarmee in dit geval laatstelijk kort vóór het moment van overlijden van erflater – de wil van erflater nog steeds zou luiden overeenkomstig hetgeen is vastgelegd in het concept-testament.

Het toetsingsmoment daarvoor met toepassing van de in de wet geregelde waarborgen is nu juist het verlijden van de notariële akte.

Op dat moment zou de notaris alleen met erflater zijn geweest, in tegenstelling tot de eerdere gesprekken van de notaris met erflater waar steeds eiser bij aanwezig was.

Er kunnen allerlei redenen zijn geweest op grond waarvan erflater zijn laatste wil nog zou hebben willen veranderen.

Naar het oordeel van de rechter is niet boven iedere twijfel verheven dat het concept overeenkomstig de wil van erflater is opgemaakt.

Blijkens de brief van de notaris van 6 juli 2015 lukte het hem kennelijk niet in het telefoongesprek met erflater op 2 april 2015 duidelijkheid te krijgen omtrent de wil van de erflater.

Naar het oordeel van de rechter is er geen volstrekte zekerheid dat hetgeen is vastgelegd in het concept-testament overeenstemt met de uiterste wil van erflater op het moment van diens overlijden.

De door eiser aangevoerde omstandigheden met betrekking tot de hechte vriendschap tussen hem en erflater en het ontbreken van iedere band tussen de dochter en erflater kunnen – wat daar ook van zij – niet tot een ander oordeel leiden.

De rechter ziet, het vorenstaande in acht nemend, geen grond om te oordelen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de dochter zich jegens eiser op haar aanwijzing als enig erfgenaam krachtens het wettelijk versterferfrecht kan beroepen.

Gelet op het vorenstaande gaat de rechter aan het bewijsaanbod van eiser, te bewijzen dat het concept-testament de wil van erflater bevatte, voorbij.

De grieven van eiser slagen derhalve niet.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.