Erfrecht. Nietig testament. Is het testament gemaakt onder invloed van de geestelijke stoornis? Dementie. Wilsgebrek. Medisch Bewijs. Onweerlegbaar wettelijk vermoeden.
De Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of een testament gemaakt was onder invloed van de geestelijke stoornis.
Het gaat in deze zaak om de vraag of het testament van erflater van 15 december 2016 nietig is en daarmee wordt geacht niet te hebben bestaan.
Deze vraag wordt op grond van de navolgende overwegingen bevestigend beantwoord.
Erfrecht. Nietig testament. Is het testament gemaakt onder invloed van de geestelijke stoornis? Dementie. Wilsgebrek. Medisch Bewijs. Onweerlegbaar wettelijk vermoeden.
Onweerlegbaar wettelijk vermoeden dat de wil van erflater wordt geacht te ontbreken, artikel 3:34 lid 1 BW, zodat testament nietig is, artikel 3:34 lid 2 BW.
De rechter oordeelt als volgt.
Tussen partijen staat op zichzelf niet ter discussie dat bij erflater op 15 december 2016 sprake was van een geestelijke stoornis.
Volgens gedaagde stond deze stoornis aan een redelijke waardering van alle bij het testament betrokken belangen in de weg, althans is de uiterste wilsverklaring onder invloed van deze stoornis afgelegd, wat eiseres betwist.
De kantonrechter heeft op verzoek van gedaagde, op wie in zoverre de stelplicht en bewijslast rust, een deskundigenbericht gelast1 en daartoe de heer dr. A, klinisch geriater, als deskundige benoemd.
De deskundige heeft blijkens zijn rapport van 15 juni 2022 (hierna: het deskundigenrapport) geconcludeerd:
“Op 6 maart 2017 is bij erflater de diagnose matig ernstige dementie gesteld, hetgeen eveneens een stoornis is van de geestvermogens. Op 15 december 2016 was er ook al sprake van deze dementie. Gelet op de diagnose ziekte van Alzheimer en de afwezigheid van een delier of depressie in deze periode en de uitslag van de MRI scan zonder grote vaatschade, die allen een mogelijk snelle geestelijke achteruitgang ook zouden kunnen verklaren, is met zekerheid te stellen dat de ernst van de dementie op 15 december 2016 nagenoeg vergelijkbaar is met de ernst van 6 maart 2017 (CDR 2). Hieruit volgt dat de wilsverklaring op 15 december 2016 onder invloed van deze geestelijke stoornis is gedaan. Bij CDR 1 is er al sprake van moeite met het oplossen van problemen; Bij CDR 2 is het oplossen van problemen ernstig beperkt.”
Er zijn verschillende manieren om stadia van dementie te graderen, maar internationaal meest gebruikt is de CDR schaal. Die heb ik als bijlage 12 bij mijn rapport gevoegd. Bij matig ernstige dementie gaat het om schaal CDR 2. Daarvan is sprake als de dementie invloed heeft op het dagelijks leven. De betrokkene is dan niet meer in staat om complexe taken uit te voeren, zoals autorijden, administratie of koken en is niet meer in staat om zonder hulp voor de eigen lichamelijke verzorging zorg te dragen. Op grond van de wet mag je in Nederland bij CDR 1 nog wel auto rijden mits een instructeur van het CBR heeft geoordeeld dat dat veilig kan. Bij CDR 2 is dat sowieso verboden. Aangezien de neuroloog] de erflater heeft verboden nog auto te rijden, is dat een duidelijke aanwijzing dat de dementie zich in zijn geval in het stadium CDR 2 bevond. Die ernst van de dementie past ook bij de andere begeleidende symptomen zoals geconstateerd door de neuroloog, waarbij u bijvoorbeeld moet denken aan de MMSE score van 17/30 alsmede de MRI scan waarin afwijkingen zichtbaar zijn die ook passen bij dit beeld“.
De kantonrechter is van oordeel dat de conclusie van de deskundige dat erflater zijn wilsverklaring op 15 december 2016 vanwege zijn geestelijke stoornis – de volgens de Clinical Dementia Rating Scale als CDR 2 geclassificeerde dementie – onder invloed van die stoornis heeft afgelegd, logisch voortvloeit uit zijn bevindingen en deugdelijk is gemotiveerd en onderbouwd.
De kantonrechter sluit zich bij dit oordeel aan en maakt dat tot het zijne.
Hetgeen eiseres bij akte na deskundigen- en getuigenverhoor naar voren heeft gebracht, doet naar het oordeel van de kantonrechter aan de bevindingen en de conclusie van de deskundige niet af.
Daartoe wordt het volgende overwogen.
Het voorgaande betekent dat gedaagde er in is geslaagd aan te tonen dat het testament van erflater onder invloed van de geestelijke stoornis tot stand is gekomen en dat daarmee rechtens een met het testament overeenstemmende wil van erflater wordt geacht te ontbreken.
De kantonrechter overweegt op dit punt dat eiseres met haar stelling dat de geestesstoornis de reden moet zijn geweest voor de wilsverklaring, zelf een onjuiste uitleg geeft aan artikel 3:34 lid 1 BW.
Ingevolge deze bepaling wordt een met de verklaring overeenstemmende wil geacht te ontbreken (een onweerlegbaar wettelijk vermoeden) indien iemand wiens geestvermogens blijvend of tijdelijk zijn gestoord iets heeft verklaard en
(a) de stoornis een redelijke waardering van de bij de handeling betrokken belangen belette, of
(b) de verklaring onder invloed van die stoornis is gedaan.
Daarbij geldt dat (a) en (b) veelal – en ook in dit geval – zullen samenvallen.
De deskundige heeft bij de beantwoording van vraag 11 dan ook terecht opgemerkt dat het hier gaat om de vraag of de verklaring beïnvloed zal zijn door de stoornis, in welke vraag, anders dan eiseres kennelijk veronderstelt, niet ligt besloten dat (ook) moet kunnen worden vastgesteld dat erflater niet tot de betreffende wilsverklaring zou kunnen zijn gekomen indien de geestelijke stoornis er niet zou zijn geweest.
Eiseres kan evenmin worden gevolgd in haar stelling dat de aard van een stoornis op zichzelf niet tot de conclusie kan leiden dat de stoornis een redelijke waardering van de bij de rechtshandeling betrokken belangen heeft belet en/of de verklaring onder invloed van die stoornis is gedaan.
Veelal zullen – zoals in deze zaak – in de aard van de stoornis, al dan niet in verband met de aard van de rechtshandeling, juist wel de feiten en omstandigheden zijn gelegen die maken dat aan de voorwaarde van het wettelijk rechtsvermoeden is voldaan.
Nietigheid uiterste wilsbeschikking
Nu een met het testament overeenstemmende wil van erflater wordt geacht te ontbreken en een uiterste wilsbeschikking een eenzijdige, niet tot een of meer bepaalde personen gerichte rechtshandeling is, is sprake van de nietigheid van het testament, dat wil zeggen van alle daarin neergelegde uiterste wilsbeschikkingen.
Dat betekent dat de vordering van eiser zal worden toegewezen, in die zin dat voor recht zal worden verklaard dat de door erflater in het testament van 15 december 2016 gemaakte uiterste wilsbeschikkingen nietig zijn.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.