Erfrecht. Uitleg testament. Kan verzorgster en latere echtgenote van erflater voordeel trekken uit testament? Hoedanigheid van begunstigde op moment van opmaken testament.

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of een verzorgster en latere echtgenote van de erflater voordeel kon trekken uit het testament.

Bij de rechtbank Gelderland hebben partijen getwist over de vraag of appellante op grond van het testament van 17 december 2015 tezamen met geïntimeerden erfgenaam is van erflater en, zo ja, of het bepaalde in artikel 4:59 van het Burgerlijk Wetboek (BW) verhindert dat appellante uit die uiterste wilsbeschikking voordeel kan trekken.

Appellante vorderde in conventie verklaring voor recht dat het testament van erflater van 17 december 2015 zo moet worden uitgelegd dat daarin onder hoofdstuk 3 onder A zowel de kinderen als de partner tezamen en voor gelijke delen tot erfgenamen zijn benoemd, zodat de wettelijke verdeling toepassing kan vinden.

Geïntimeerden vorderden in reconventie verklaring voor recht dat op grond van het testament van 17 december 2015 de kinderen tezamen enig erfgenamen zijn in de nalatenschap van erflater en in voorwaardelijke reconventie, voor zover de rechtbank in conventie zou oordelen dat het testament van erflater zo uitgelegd dient te worden dat appellante mede tot erfgenaam is benoemd en de in conventie gevorderde verklaring voor recht wordt toegewezen, voor recht te verklaren dat de beschikking ten gunste van appellante is vernietigd op grond van artikel 4:59 BW, althans voor recht te verklaren dat appellante geen rechten kan ontlenen aan de inhoud van het testament.

Erfrecht. Uitleg van een testament. Kan de verzorgster en latere echtgenote van de erflater voordeel trekken uit het testament? Hoedanigheid van de begunstigde op het moment van het opmaken van de uiterste wilsbeschikking. Verjaring?

De rechter oordeelt als volgt.

Het hof is – net als de rechtbank – van oordeel dat het testament zo moet worden uitgelegd dat de erfstelling in hoofdstuk 3 onder A mede betrekking heeft op de achterblijvende partner van erflater, zodat appellante met de kinderen tezamen en voor gelijke delen erfgenamen zijn van erflater.

Het hof neemt, na eigen onderzoek de overwegingen van de rechtbank op dit punt over en maakt deze tot de zijne.

Ten behoeve van de leesbaarheid geeft het hof die overwegingen hierna weer:

“Beoordeeld dient te worden hoe het testament moet worden uitgelegd. Op grond van artikel 4:46 lid 1 BW wordt daarbij allereerst gekeken naar de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk beoogt te regelen en de omstandigheden waaronder die wil is gemaakt. De rechtbank (…) constateert dat erflater voor de gehuwde situatie enerzijds (uitsluitend) de kinderen tot erfgenamen benoemd en anderzijds de wettelijke verdeling in de zin van afdeling 3.1. van Boek 4 BW van toepassing heeft verklaard. Uit artikel 4:13 lid 1 BW blijkt dat voor die wettelijke verdeling vereist is dat de echtgenoot van erflater erfgenaam moet zijn. De benoeming van (uitsluitend) de kinderen tot erfgenamen en het van toepassing verklaren van de wettelijke verdeling stroken derhalve niet met elkaar. Daaruit blijkt dat bij het opmaken van het testament een fout is gemaakt waardoor het testament geen duidelijke zin heeft. Omdat het testament voor de gehuwde situatie geen duidelijke zin heeft mogen op grond van artikel 4:46 lid 2 BW — naast het testament, de verhoudingen die het kennelijk beoogt te regelen en de omstandigheden waaronder het is gemaakt — óók daden en gedragingen van erflater buiten het testament worden gebruikt voor de uitleg ervan. Bij die uitleg zijn voor de gehuwde situatie twee mogelijkheden: ófwel de wettelijke verdeling is van toepassing en [appellante] is per abuis niet tot mede-erfgename benoemd, ófwel appellante is geen erfgename en de wettelijke verdeling is per vergissing van toepassing verklaard. Over die uitleg van het testament wordt als volgt overwogen.

Het testament zelf en de omstandigheden waaronder het is gemaakt wijzen erop dat erflater voor ogen had dat appellante beschermd moest worden tegen de kinderen. Dat blijkt niet alleen uit de regeling zoals die is opgesteld voor de ongehuwde situatie (het keuzelegaat en het legaat van vruchtgebruik), maar ook uit de regeling met betrekking tot het opeisen van de schuld uit de nalatenschap van moeder door de kinderen. Daarnaast wijzen de omstandigheden waaronder het testament is gemaakt en de (als productie 2) door appellante overgelegde gespreksaantekeningen van de notaris eveneens op bescherming van appellante tegen de kinderen. Daarbij is van belang dat ten tijde van het passeren van het testament erflater en appellante samenwoonden, erflater geen contact meer had met zijn kinderen en appellante een praktijk was begonnen in de woning van erflater. Tegen die achtergrond is niet goed voorstelbaar dat erflater niets heeft willen regelen voor de situatie dat hij met appellante zou trouwen — wat het geval is als ervan wordt uitgegaan dat de bepaling over de wettelijke verdeling ten onrecht(e) in het testament is opgenomen. Eén en ander wijst erop dat de notaris is vergeten op te nemen dat appellante erfgenaam zou worden. Dat strookt ook met de eigen verklaring van erflater, de toelichting bij het concept-testament van 3 december 2015 en de latere verklaring van de notaris. In de (als productie 5) door appellante overgelegde verklaring van erflater zelf staat dat hij zijn kinderen onterft en appellante zijn enige erfgenaam is. Hoewel hij in zijn testament zijn kinderen niet heeft onterfd, is het gelet op deze verklaring niet aannemelijk dat hij uitsluitend zijn kinderen tot erfgenamen wilde benoemen en appellante niet. Dat geldt te meer nu in de toelichting van de notaris bij het concept-testament van 3 december 2015 voor de gehuwde situatie is vermeld dat de wettelijke verdeling van toepassing wordt verklaard. Ten slotte staat in de brief van (het kantoor van) de notaris van 14 februari 2020 dat appellante door een omissie niet als mede-erfgenaam in het testament is vermeld. Dat appellante in het aanvullend testament tot afwikkelingsbewindvoerder is benoemd kan niet tot een ander oordeel leiden. Ten tijde van liet opmaken van het aanvullend testament, op 28 juli 2016, waren erflater en appellante nog niet gehuwd en de benoeming tot afwikkelingsbewindvoerder was voor die ongehuwde situatie zinvol omdat in die situatie de wettelijke verdeling niet van toepassing is. Uit die benoeming kan derhalve niet worden geconcludeerd dat in het testament opgenomen de wettelijke verdeling voor de huwelijkse situatie een omissie moet zijn geweest.

De rechtbank gaat er gelet op het voorgaande van uit dat het de bedoeling van erflater is geweest om appellante tot mede-erfgenaam te benoemen met toepassing van de wettelijke verdeling.

Appellante stelt voorts dat het testament zó moet worden uitgelegd dat zij en de kinderen tezamen en voor gelijke delen tot erfgenamen zijn benoemd. Ter onderbouwing verwijst zij naar het concept van 3 december 2015 (productie 4) waarin dat voor zowel de gehuwde als de ongehuwde situatie is opgenomen. Bij het opstellen van het definitieve testament is dat volgens appellante per ongeluk niet alleen voor de ongehuwde situatie gewijzigd maar ook voor de gehuwde situatie. De kinderen betwisten dat en stellen dat het concept van 3 december 2015 geen bewijs oplevert. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellante gemotiveerd gesteld dat zij en de kinderen tezamen en voor gelijke delen tot erfgenamen zijn benoemd terwijl de kinderen dat onvoldoende gemotiveerd hebben betwist, zodat ervan uitgegaan wordt dat het de bedoeling was om appellante met de kinderen tezamen en voor gelijke delen tot erfgenaam te benoemen.”

Het hof overweegt in aanvulling daarop dat de in grief H bedoelde stellingen van geïntimeerden en erop neer komen dat de notaris in het testament niet per abuis bij de regeling van de wettelijke verdeling de partner niet heeft vermeld, maar dat de notaris per abuis heeft opgenomen dat de wettelijke regeling van toepassing is.

Gelet op de specifieke en uitgebreide uitwerking van de wettelijke regeling in de bepalingen onder B van hoofdstuk 3 van het testament vraagt honorering van grief H meer onderbouwing dan geïntimeerden hebben gegeven.

Het hof voegt daaraan toe dat geïntimeerden elders in die grief betogen dat het de twee getuigen bij het passeren van het testament wel zou zijn opgevallen als de partner in de erfstelling zou zijn vergeten.

Het zou de notaris, de erflater en de getuigen zeker zijn opgevallen als ten onrechte een uitgebreide regeling ten aanzien van de wettelijke verdeling werd opgenomen (en voorgelezen).

De grieven B tot en met H falen.

In grief 1 betoogt appellante dat geïntimeerden geen beroep meer toekomt op het bepaalde in artikel 4:59 BW omdat die rechtsvordering is verjaard op grond van artikel 4:54 lid 1 BW.

Zij hebben dat beroep immers meer dan een jaar nadat zij bekend zijn geworden met het overlijden van erflater en met zijn testament en de vernietigingsgrond gedaan, aldus – kort gezegd – appellante.

Het hof is van oordeel dat geïntimeerden wel een beroep op de vernietigingsgrond van artikel 4:59 lid 1 BW kunnen doen.

Zij doen dat beroep immers ter afwering van de rechtsvordering van appellante tot verklaring voor recht dat zij mede-erfgenaam is.

Op grond van artikel 3:51 lid 3 BW kan een dergelijk beroep in rechte te allen tijde worden gedaan (zie ook artikel 4:54 lid 2 BW dat uitdrukkelijk het geval van artikel 3:51 lid 3 BW noemt).

De grief faalt.

In grief 2 stelt appellante dat de rechtbank ten onrechte niet voorop heeft gesteld dat artikel 4:59 BW niet van toepassing is omdat zij met erflater was gehuwd ten tijde van diens overlijden (artikel 4:60 BW).

Daargelaten dat de rechter het bepaalde in artikel 4:60 BW niet ambtshalve hoeft toe te passen en dat appellante voor het eerst in hoger beroep zich op die uitzonderingsbepaling beroept, slaagt deze grief niet.

Uit de tekst van artikel 4:59 lid 1 BW volgt dat voor de toepasselijkheid van dat artikel de aard van de betrokkenheid van de begunstigde bij de erflater op het moment dat de uiterste wilsbeschikking wordt gemaakt bepalend is voor de vraag of de begunstigde uit die wilsbeschikking voordeel kan trekken.

Dat blijkt ook uit de wetsgeschiedenis: 

“Gaat men uit van de gedachte, dat bij de toe te laten beschikkingen verondersteld mag worden dat de beweegreden in de nauwe verwantschap en niet in de functie van de bevoordeelde lag, dan is het (…) redelijk een stap verder te gaan (…) dus genoegen te nemen met het vereiste dat de bevoordeelde echtgenoot of bloed- of aanverwant (…) van de erflater is.” (Parl. Gesch. Boek 4 BW art. 4.3.2.6 MvA II, p. 335).

Dat betekent dat ook voor de uitzondering van artikel 4:60 BW de hoedanigheid van de begunstigde op het moment van opmaken van de uiterste wilsbeschikking bepalend is.

Aangezien appellante toen het testament op 17 december 2015 werd verleden nog niet met erflater was gehuwd, komt haar geen beroep op artikel 4:60 aanhef en onderdeel b BW toe.

Ook grief 2 slaagt niet.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.