Erfrecht. Klacht tegen notaris. Onduidelijke redactie van een testament? Legitieme portie. Inkorting. Onjuiste en onvolledige voorlichting? Vervaltermijn klacht.
Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 25 april 2023 uitspraak gedaan over een klacht tegen een notaris vanwege een onduidelijke redactie van een door hem verleden testament.
De vader van klagers (hierna: erflater) is in 2018 overleden.
Erflater heeft bij testament over zijn nalatenschap beschikt waarbij hij aan een stichting een bedrag heeft gelegateerd gelijk aan de waarde van een erfdeel als ware deze stichting voor de helft erfgenaam in zijn nalatenschap.
Tot zijn erfgenamen heeft hij benoemd zijn drie kinderen, ieder voor gelijke delen.
Erflater heeft voorts bepaald dat indien een afstammeling een beroep doet op zijn/haar legitieme portie het betreffende kind en zijn/haar afstammelingen als erfgena(a)m(en) in zijn nalatenschap worden uitgesloten.
Twee (klagers) van de drie kinderen hebben een beroep gedaan op hun legitieme portie.
Als gevolg van dit beroep op hun legitieme is de uiteindelijke verdeling van de nalatenschap anders uitgepakt dan klagers voor ogen hadden.
Klagers verwijten de notaris dat zij, achteraf gezien, geen beroep op hun legitieme hadden gedaan indien de notaris hen volledig en juist had geïnformeerd.
De notaris wordt verder verweten dat zij een onduidelijke positie heeft ingenomen en dat zij heeft nagelaten om misleidende informatie te corrigeren.
De kamer heeft de klacht deels gegrond verklaard en aan de notaris de maatregel van berisping opgelegd.
Erfrecht. Klacht tegen notaris. Onduidelijke redactie van een testament? Legitieme portie. Inkorting. Onjuiste en onvolledige voorlichting? Vervaltermijn klacht. Wna.
De rechter oordeelt als volgt.
Onduidelijke redactie testament
Klagers stellen dat uit de considerans van het testament duidelijk blijkt dat het de bedoeling van erflater is geweest om zoveel mogelijk vermogen naar S te laten vloeien en zo min mogelijk vermogen naar de kinderen.
De notaris heeft dit uitgangspunt van erflater niet juist uitgewerkt in het legaat ten behoeve van S.
De notaris had expliciet moeten bepalen dat in het geval van een beroep op de legitieme portie een gedeelte van het vervallen erfdeel bij de verkrijging van S zou aanwassen.
De notaris had ook – in lijn met het bepaalde in de considerans – expliciet moeten opnemen dat de erfrechtelijke verkrijging van S pas wordt ingekort nadat de andere verkrijgingen volledig zijn ingekort.
De notaris werpt een tweetal ontvankelijkheidsverweren op.
Klagers zijn, aldus de notaris, niet ontvankelijk in dit klachtonderdeel op grond van de in artikel 99 lid 21 Wet op het notarisambt (hierna: Wna) neergelegde vervaltermijn van drie jaar.
Op basis van dit artikel kan een klacht slechts worden ingediend binnen drie jaar na de dag waarop de tot klacht gerechtigde kennis heeft genomen van het handelen of nalaten van de notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven.
Klagers hebben in oktober 2018 kennis genomen van het testament.
De inkortingsvolgorde was hen op dat moment dus ook bekend.
Klagers hebben hun klacht pas op 3 december 2021 bij de kamer ingediend.
De klacht is daarmee te laat ingediend en daarom niet-ontvankelijk.
Een eventuele verlenging van de driejaarstermijn (artikel 99 lid 21, derde zin Wna) is niet aan de orde.
Subsidiair voert de notaris aan dat het niet aan klagers is om te klagen over de inhoud van het testament nu zij vanwege hun beroep op hun legitieme slechts de hoedanigheid van schuldeisers van de nalatenschap hebben.
Voor het geval deze klacht wél ontvankelijk is, voert de notaris in hoger beroep aan dat i) de werking van het testament wél duidelijk is en dat ii) de inhoud en de werking van het testament wel overeenkomt met de wens van erflater en dat iii) klagers de feitelijke grondslag van dit klachtonderdeel niet deugdelijk hebben onderbouwd.
Het hof is, anders dan de kamer, van oordeel dat klagers niet-ontvankelijk zijn in dit deel van de klacht vanwege het verstrijken van de vervaltermijn.
Klagers hebben in oktober 2018 kennis genomen van het testament.
Op dat moment hebben zij dus kunnen zien dat in het testament niet is afgeweken van de wettelijke inkortingsvolgorde.
Ook de gevolgen van deze inkortingsvolgorde kunnen daarmee in oktober 2018 als redelijkerwijs bekend worden verondersteld.
Dat klagers op dat moment zelf een andere voorstelling van zaken hadden maakt dat niet anders, omdat het op de weg lag van klagers, die werden bijgestaan door een partij-notaris, om precies na te gaan wat deze inkortingsvolgorde betekende.
De stelling van klagers dat de gevolgen van de verweten gedragingen pas bij de (verlate) publicatie van het jaarverslag van S over 2019 (begin 2021) bij hen bekend zijn geworden sorteert dan ook geen effect.
Hun beroep op de nadere vervaltermijn van één jaar dat daarmee verband houdt, dus evenmin.
Onduidelijke positie van de notaris
Klagers verwijten de notaris dat zij zich zonder enig voorbehoud heeft gepresenteerd als boedelnotaris terwijl zij zich als betrokken notaris in het boedelregister heeft ingeschreven.
De notaris is haar rol als boedelnotaris bovendien op enig moment (tijdens de bijeenkomst van 19 november 2019), op verzoek van X, beperkter gaan invullen dan van haar verwacht mocht worden.
Ten onrechte heeft zij klagers niet geïnformeerd over deze rolwisseling.
Ook ten aanzien van dit verwijt werpt de notaris op dat klagers niet-ontvankelijk zijn in hun klacht wegens het verstrijken van de driejaarstermijn van artikel 99 lid 21 Wna.
Klagers hebben daarnaast geen belang bij deze klacht omdat zij wisten dat de executeur de notaris als boedelnotaris had aangewezen.
Voor het geval deze klacht wél ontvankelijk is, voert de notaris aan dat sprake is van een administratieve vergissing.
Abusievelijk is de inschrijving als betrokken notaris niet aangepast naar boedelnotaris.
De notaris betreurt dit.
Blijkens de overgelegde stukken is op 6 augustus 2021 geconstateerd dat de notaris staat ingeschreven in het boedelregister als betrokken notaris.
Nu de klacht op 3 december 2021 bij de kamer is ingediend is het hof van oordeel dat deze klacht tijdig is ingediend.
Ook het belang van klagers bij deze klacht staat in voldoende mate vast.
De door de notaris opgeworpen ontvankelijkheidsverweren worden daarom verworpen.
Evenals de kamer is het hof van oordeel dat voor klagers duidelijk moet zijn geweest wat de positie was van de notaris.
Niet ter discussie staat dat klagers wisten dat de notaris was aangewezen als boedelnotaris.
Dat de notaris zich niet als zodanig heeft ingeschreven is een omissie.
Gelet op de betrekkelijk geringe ernst hiervan, ziet het hof geen aanleiding voor een gegrond tuchtrechtelijk verwijt.
Dit geldt temeer nu het voor klagers altijd duidelijk is geweest dat dit de positie van de notaris was en de notaris ook zelf – zo blijkt uit het overgelegde gespreksverslag van de genoemde bespreking – de invulling van haar rol expliciet aan de orde heeft gesteld.
Onjuiste en onvolledige voorlichting
Klagers stellen dat zij als gevolg van een onjuiste en onvolledige voorlichting door de notaris een verkeerde voorstelling van zaken hebben gehad over de gevolgen van hun beroep op de legitieme portie.
De notaris heeft in haar genoemde notitie – naar later blijkt onjuist – verklaard dat de andere erfgenaam economisch gezien niet beter wordt als gevolg van hun beroep op de legitieme portie (“De economische waarde van dit vrijvallende deel is ons inziens 0”).
Op 10 december 2018 is deze stelling, mede namens de notaris, met zoveel woorden bevestigd.
Ook tijdens de bespreking van 19 november 2019 heeft de notaris nagelaten om de gevolgen van het beroep op de legitieme portie bij klagers onder de aandacht te brengen.
De notaris voert aan dat klagers vanaf het begin werden bijgestaan door deskundige, in het erfrecht gespecialiseerde, adviseurs.
Aan de hand van het testament, de boedelbeschrijving en de berekening van de legitimaire massa, zoals opgesteld en ter hand gesteld door de executeur, hadden zij deze gevolgen zelf kunnen en moeten constateren.
Dit geldt temeer nu klagers en hun adviseurs nooit hebben gevraagd om een totaalplaatje van de verdeling van de nalatenschap.
Het was de notaris niet eens bekend dát klagers hierin geen inzicht hadden.
Verzoeken om informatie over de wijze van verdeling van de nalatenschap hadden klagers primair bij de executeur moeten neerleggen.
In hoger beroep voert de notaris aan dat zij in haar genoemde notitie en de daaropvolgende eenregelige email van haar kandidaat-notaris geen standpunt heeft ingenomen over het effect van het inroepen van de legitieme op het punt van de uiteindelijke verdeling van de nalatenschap.
Ten tijde van het schrijven van deze notitie had de notaris nog geen financieel overzicht van de nalatenschap ontvangen.
Zij had op dat moment evenmin inzicht in gedane schenkingen.
De bewuste notitie had niet het doel om de kinderen te informeren wat een eigen beroep op de legitieme portie zou doen voor de omvang van het erfdeel van een broer/zus.
Alle bij de kamer aangevoerde verweren op dit punt heeft de kamer onbesproken gelaten; de kamer heeft evenmin de hiervoor geschetste context in haar overwegingen betrokken.
De kamer miskent ten slotte dat geïntimeerde in het geheel niet betrokken was bij de emailwisseling tussen de notaris en B ; geïntimeerde kan daar dus ook geen rechten en/of argumenten aan ontlenen.
De notaris heeft in de stukken alsmede ter terechtzitting in hoger beroep voldoende concreet uiteengezet wat de gang van zaken is geweest.
Zij heeft daarbij genoegzaam aannemelijk gemaakt dat zij de nodige zorgvuldigheid in acht heeft genomen.
De notaris is niet betrokken geweest bij de eigen keuze van klagers, bijgestaan door deskundige adviseurs, om een beroep te doen op hun legitieme portie.
Ook voor de gevolgen van dit beroep op de legitieme draagt de notaris geen (tuchtrechtelijke) verantwoordelijkheid.
Deze gevolgen vloeien immers rechtstreeks voort uit het door erflater opgemaakte testament.
Klagers hebben de notaris uitsluitend gevraagd naar de omvang van hun eigen aanspraak bij het inroepen van de legitieme.
Aan de notaris is niet gevraagd om aan de hand van de definitieve boedelbeschrijving en de opgave van eerdere schenkingen het “totaalplaatje” inzichtelijk te maken.
Dit alles neemt niet weg dat klagers op het verkeerde been zijn gezet door de ongevraagde opmerking in de notitie over de economische waarde van het vrijvallende deel.
Dat de positie van de overige erfgenamen economisch gezien niet beter wordt als gevolg van een beroep van één van hen op de legitieme portie, zoals de notaris bevestigt, is immers niet juist.
De notaris had klagers hierover niet op die manier moeten informeren of, toen zij de vragen van B beantwoordde, op dit punt ten minste een voorbehoud moeten maken.
Hierdoor heeft de notaris tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.
Het corrigeren van misleidende uitlatingen nalaten
Klagers stellen dat A voorafgaand aan het sluiten van de genoemde vaststellingsovereenkomst van 17 december 2020 verklaringen heeft afgelegd waaruit kon worden opgemaakt dat hij zelf nadeel zou lijden van het inroepen van de legitieme door klagers.
Deze misleidende uitlatingen hebben bijgedragen aan de onjuiste voorstelling van zaken van klagers.
De notaris heeft ten onrechte nagelaten om deze misleidende uitlatingen te corrigeren.
De notaris en klagers hebben in de periode tussen 7 december 2018 en 10 december 2018 schriftelijk contact gehad over de gevolgen van het inroepen van de legitieme.
De regie over de afwikkeling van de nalatenschap is vervolgens bij de executeur komen te liggen.
Van enig contact tussen klagers en de notaris in de periode december 2018 – november 2019 is niet gebleken.
Nadat klagers in augustus 2019 een beroep hebben gedaan op hun legitieme is er pas op 19 november 2019 weer overleg geweest tussen de notaris en klagers.
Omdat klagers op dat moment inmiddels de hoedanigheid van schuldeisers van de nalatenschap hadden stond het de notaris (en zelfs de executeur) niet vrij om klagers informatie te verschaffen aangaande de verdeling van de nalatenschap.
Dit geldt ook voor het corrigeren van (vermeend) misleidende informatie door de executeur.
De notaris had die positie niet. Van enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen op dit punt is niet gebleken.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.