Erfrecht. Nietig testament. Wilsbekwaamheid van de erflaatster. Aanvullend testament nietig? Bewijs. Geestelijke stoornis. Ontbreken wil. Inzage in medisch dossier erflaatster.
De Rechtbank Gelderland heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of het aanvullend testament van erflaatster nietig was wegens wilsonbekwaamheid van de erflaatster.
Erflaatster heeft op 20 december 2017 een levenstestament laten opstellen.
Daarin heeft erflaatster een algemene volmacht om haar vermogensrechtelijke en andere zakelijke belangen te behartigen verstrekt aan gedaagden.
Eveneens op 20 december 2017 heeft erflaatster bij uiterste wilsbeschikking over haar nalatenschap beschikt.
Hierbij heeft erflaatster, onder last van legaten, haar echtgenoot (erflater) en haar kinderen tot haar erfgenamen benoemd.
Vanwege het vooroverlijden van erflater zijn partijen, voor gelijke delen, de enige erfgenamen van erflaatster.
Verder heeft erflaatster de inbreng van giften uitgesloten.
Erflaatster is in juni 2018 geplaatst op een gesloten afdeling in verpleeghuis.
Erflaatster had op 29 december 2020 in haar woning een afspraak met notaris mr. P waarbij een akte van schenking is gepasseerd.
Bij uiterste wilsbeschikking van 20 april 2021 heeft erflaatster aanvullend over haar nalatenschap beschikt (hierna: het aanvullend testament).
In dit aanvullend testament was de inbreng van giften niet langer uitgesloten.
Verder is in het aanvullend testament een aantal legaten ten behoeve van gedaagden opgenomen.
Erfrecht. Nietig testament. Wilsbekwaamheid van de erflaatster. Aanvullend testament nietig? Bewijs. Geestelijke stoornis. Ontbreken wil. Inzage in medisch dossier erflaatster.
De rechter oordeelt als volgt.
Nietigheid aanvullend testament
Tussen partijen is in geschil of erflaatster ten tijde van het passeren van het aanvullend testament als gevolg van een geestelijke stoornis al dan niet in staat was haar wil (in vrijheid) te vormen.
Artikel 3:33 BW bepaalt dat een rechtshandeling, waaronder (het laten opstellen van) een testament, een met elkaar overeenstemmende wil en verklaring vereist.
Wanneer sprake is van een geestelijke stoornis, dan wordt op grond van artikel 3:34 BW de voor de rechtshandeling vereiste wil geacht te ontbreken (i) indien de stoornis een redelijke waardering van de bij de handeling betrokken belangen belette, of (ii) indien de wilsverklaring onder invloed van de stoornis is gedaan.
De wil wordt dus vermoed te hebben ontbroken als een stoornis aanwezig is en één van deze twee omstandigheden zich heeft voorgedaan.
Op grond van artikel 3:34 lid 2 BW is een testament dan nietig.
De stelplicht en bewijslast van de stelling dat de erflaatster die haar testament heeft gewijzigd, als gevolg van een geestelijke stoornis niet in staat was haar wil (in vrijheid) te vormen, rusten op degene die deze stelling aanvoert, in dit geval eiser.
Daarbij kunnen ook feiten en omstandigheden die zijn voorafgegaan aan of gevolgd op het passeren van het testament van belang zijn.
Geestelijke stoornis
Partijen verschillen van mening over de vraag of erflaatster ten tijde van het opmaken van haar aanvullend testament op 20 april 2021 een geestelijke stoornis had.
Eiser meent dat dit het geval was en voert ter onderbouwing hiervan aan dat erflaatster ten tijde van het opstellen van het aanvullend testament al meerdere jaren verbleef op een gesloten afdeling.
Verder voert eiser aan dat erflaatster leed aan dementie en dat zij in een ernstig verwarde toestand verkeerde.
Erflaatster was daarom volgens eiser niet in staat haar wil te bepalen.
Gedaagden betwisten dat erflaatster ten tijde van het verlijden van het aanvullend testament een geestelijke stoornis had.
Zij betwisten dat erflaatster leed aan dementie.
Gedaagden voeren aan dat erflaatster weliswaar een periode verward is geweest, maar dit had volgens hen steeds duidelijk andere oorzaken.
De vraag of op 21 april 2021 sprake was van een geestelijke stoornis bij erflaatster moet worden beantwoord aan de hand van medische informatie.
Deze vraag behelst namelijk een medische beoordeling.
Uit de door eiser in het geding gebrachte stukken blijkt niet dat erflaatster tijdens haar leven is gediagnosticeerd met dementie of een andere geestelijke stoornis.
Dat erflaatster verbleef op een gesloten afdeling van een verzorgingstehuis is onvoldoende om tot deze conclusie te komen, gelet op de verklaring die gedaagden hiervoor hebben gegeven.
Uit de door eiser overgelegde verklaringen van familieleden kan evenmin een diagnose worden afgeleid.
Voor zover in deze verklaringen wordt gesproken over de geestelijke toestand van erflaatster, gaat dit met name over door familieleden waargenomen gedragingen van erflaatster waaraan conclusies worden verbonden.
Een geestelijke stoornis blijkt daaruit niet.
Ook uit de door eiser overgelegde WhatsAppberichten en foto’s van erflaatster blijkt dit niet.
In de door eiser overgelegde overdracht verpleegkunde wordt weliswaar opgetekend dat erflaatster verward en angstig was, maar daaruit blijkt niet dat hieraan een geestelijke stoornis ten grondslag lag.
In deze overdracht wordt evenmin een diagnose gesteld.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat vaststaat dat erflaatster leed aan dementie.
Uit de e-mail blijkt immers niet of de opmerking over dementie is gebaseerd op waarnemingen van een arts of een diagnose, of dat aan de schrijver van de e-mail is voorgehouden dat erflaatster dementerend is en dat zij op basis van die informatie antwoordt.
Verder blijkt uit de e-mail niet of de afzender gespecialiseerd is om een diagnose te stellen.
Uit het citaat blijkt bovendien juist dat erflaatster zich nog goed kon verwoorden en vragen goed begreep.
Verder is geen informatie beschikbaar over de gezondheidstoestand van erflaatster in april 2021.
Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld dat erflaatster ten tijde van het opmaken van het testament op 21 april 2021 leed aan een geestelijke stoornis.
Ontbrekende wil
De rechtbank overweegt dat ook indien zou komen vast te staan dat erflaatster leed aan een geestelijke stoornis als bedoeld in artikel 3:34 BW, hieruit nog niet volgt dat bij haar ook sprake was van een stoornis die haar bij het opmaken van het testament belette om een redelijke afweging te maken van de bij dat testament betrokken belangen of dat de wilsverklaring onder invloed van de stoornis is gedaan.
De notaris, aan wie het in de eerste plaats is te beoordelen of een testateur wilsonbekwaam is, heeft geen reden gezien voor twijfel aan het vermogen van erflaatster om een uiterste wil te maken.
Volgens eiser had de notaris nader onderzoek moeten doen naar de geestestoestand van erflaatster gelet op de indicatoren genoemd in het voor de notariaat geldende Stappenplan beoordeling wilsbekwaamheid ten behoeve van de notariële dienstverlening (hierna: het Stappenplan).
Hij wijst in dit verband op de volgende omstandigheden: erflaatster had een hoge leeftijd, beheerde niet haar eigen administratie en woonde niet meer zelfstandig, maar in een zorginstelling.
Verder heeft eiser aangevoerd dat het initiatief tot wijziging van het testament van erflaatster kwam vanuit gedaagden.
Gedaagden hebben betwist dat erflaatster ten tijde van het passeren van het aanvullend testament niet in staat was haar belangen te waarderen en (dus) onbekwaam was om haar wil over de wijziging van het testament te bepalen en de gevolgen van de wijzing van haar testament te overzien.
Gedaagden hebben ter onderbouwing hiervan verwezen naar de door eiser overgelegde brieven en e-mails van de notaris die het aanvullend testament heeft opgesteld.
Daaruit blijkt het volgende.
Na afloop van de afspraak waarbij de akte van schenking is gepasseerd op 29 december 2020 begon erflaatster uit eigen beweging over het opstellen van een aanvullend testament.
De notaris heeft vervolgens één op één met erflaatster gesproken over de inhoud van het testament.
Op basis van de wensen van erflaatster heeft de notaris een concept voor het aanvullend testament opgesteld.
De benodigde cijfers werden op verzoek van erflaatster door een van haar dochters aangeleverd.
Dit concept is per post aan erflaatster voorgelegd.
De notaris was ermee bekend dat erflaatster verbleef in een verpleeghuis.
De notaris heeft middels videobellen contact gehad met erflaatster, waarbij een datum voor het passeren van het aanvullend testament is afgesproken.
Het aanvullend testament is uiteindelijk op 20 april 2021 gepasseerd op het kantoor van de notaris.
Met betrekking tot de wilsbekwaamheid van erflaatster heeft de notaris geschreven dat hij bij afspraken met cliënten van rond de 80 jaar standaard het Stappenplan bij zich heeft, zo ook bij de afspraken met erflaatster.
Hij geeft aan het Stappenplan bij ieder contact met erflaatster te hebben langsgelopen.
Naar aanleiding van de door erflaatster gegeven antwoorden op de vragen uit het stappenplan heeft de notaris geen enkele twijfel gehad over de wilsbekwaamheid van erflaatster.
Als uitgangspunt geldt dat iedereen aan wie op grond van de wet de bekwaamheid daartoe niet is ontzegd, bij testament uiterste wilsbeschikkingen kan maken.
Een notaris is in beginsel verplicht daaraan zijn medewerking te verlenen en moet op verlangen van een testateur doen wat is vereist om diens uiterste wilsbeschikkingen in een testament vast te leggen.
Zoals bij elke akte moet de notaris de wilsbekwaamheid van de betrokkene beoordelen.
Het komt daarbij in eerste instantie aan op de eigen waarneming van de notaris, die daarvoor een redelijke beoordelingsvrijheid toekomt.
Bij gerede twijfel aan de wilsbekwaamheid is in het algemeen verder onderzoek aangewezen.
Het Stappenplan biedt hiervoor een handreiking.
In het Stappenplan staan indicatoren vermeld die aanleiding kunnen zijn voor een nadere beoordeling van de wilsbekwaamheid.
Indien een notaris – ook al heeft hij kennis van het bestaan van één of meer indicatoren – geen aanleiding behoeft te hebben om te twijfelen aan de wilsbekwaamheid van een cliënt, dan hoeft hij het Stappenplan niet te volgen.
Van belang hierbij is onder meer de indruk die een cliënt in een gesprek maakt.
Ook als achteraf uit een rapport van een deskundige of getuigenverklaringen valt af te leiden dat een cliënt op het moment van een bespreking of passeren van de akte (mogelijk) niet als wilsbekwaam kon worden aangemerkt, betekent dit nog niet zonder meer dat dit ook aan de notaris duidelijk had moeten zijn geweest.
Of dit zo is, hangt af van de omstandigheden van het geval (Hof Amsterdam 10 april 2018, GHAMS:2018:1201).
Uit de e-mails van de notaris volgt dat hij in het voortraject en ten tijde van het passeren van het aanvullend testament voldoende alert is geweest op de wilsbekwaamheid van erflaatster en dat hij geen aanleiding had om daaraan te twijfelen.
Primair mag worden uitgegaan van deze eigen waarneming van de notaris.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die aanleiding geven om vraagtekens te plaatsen bij de juistheid van de verklaring van de notaris omtrent deze gang van zaken en zijn waarnemingen.
Conclusie wilsbekwaamheid
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat niet is gebleken dat erflaatster op 20 april 2021 als gevolg van een geestelijke stoornis niet in staat was bij het opstellen en passeren van het aanvullend testament een redelijke afweging te maken van de bij dat aanvullend testament betrokken belangen.
Evenmin is gebleken dat de wilsverklaring onder invloed van een geestelijke stoornis is gedaan.
In het licht van de gemotiveerde betwisting van gedaagden – en in het bijzonder de verklaring van de notaris – heeft eiser zijn stellingen op dit punt onvoldoende onderbouwd.
Aan bewijslevering wordt daarom niet toegekomen.
De door eiser gevorderde verklaring voor recht dat het aanvullend testament nietig is zal daarom worden afgewezen.
Aangezien het aanvullend testament niet nietig is, zal ook de door eiser gevorderde verklaring voor recht dat de nalatenschap van erflaatster moet worden afgewikkeld conform haar testament van 20 december 2017 worden afgewezen.
Inzage in medisch dossier erflaatster
Eiser vordert dat gedaagden worden veroordeeld tot het verlenen van medewerking aan eiser, dan wel het geven van toestemming aan V, om inzage te krijgen in het medisch dossier van erflaatster.
Eiser baseert deze vordering op de redelijkheid en billijkheid (artikel 3:166 lid 2 jo. 6:2 BW) in combinatie met artikel 7:458a lid 1 sub c BW.
Voordat wordt beoordeeld of gedaagden gehouden zijn tot het verlenen van medewerking, moet eerst worden beoordeeld of eiser recht heeft op inzage in het medisch dossier.
Als hoofdregel geldt dat een medisch hulpverlener geen inzage of afschrift van het medisch dossier aan anderen dan de patiënt mag verstrekken, behalve als de patiënt hiervoor toestemming geeft (artikel 7:457 lid 1 BW).
Dit medisch beroepsgeheim geldt ook na de dood van de patiënt.
Eiser heeft niet betwist dat erflaatster voornoemde toestemming niet heeft gegeven voorafgaand aan haar overlijden.
Eiser doet een beroep op de uitzondering van artikel 7:458a lid 1 sub c BW.
Daarin staat dat – in afwijking van artikel 7:457 BW – de hulpverlener desgevraagd inzage in of afschrift van gegevens uit het dossier van een overleden patiënt verstrekt aan een ieder die een zwaarwegend belang heeft en aannemelijk maakt dat dit belang mogelijk wordt geschaad, en dat inzage in of afschrift van gegevens uit het dossier noodzakelijk is voor de behartiging van dit belang.
Voor een geslaagd beroep op deze doorbrekingsgrond moet volgens de parlementaire geschiedenis (Kamerstukken II 2017/18, 34994, nr. 3) aan twee cumulatieve criteria zijn voldaan:
a) degene die stelt dat hij een zwaarwegend belang heeft, moet met voldoende concrete aanwijzingen aannemelijk maken dat dit belang mogelijk wordt geschaad en
b) diegene moet aannemelijk maken dat inzage noodzakelijk is voor de behartiging van dit belang.
Eiser stelt dat hij een zwaarwegend belang heeft bij inzage van het medisch dossier.
Dit zwaarwegend belang is volgens hem gelegen in het feit dat hij als gevolg van het aanvullend testament minder uit de nalatenschap van erflaatster verkrijgt.
Gedaagden betwisten dat sprake is van een zwaarwegend belang aan de zijde van eiser.
Een financieel belang is daarvoor volgens hen onvoldoende.
De rechtbank overweegt als volgt.
Een zwaarwegend belang kan volgens de wetsgeschiedenis zijn gelegen in de wens om een testament te laten vernietigen ingeval een persoon, anders dan verwacht, minder of niets uit de nalatenschap van de erflaatster verkrijgt.
De nabestaande kan dit aannemelijk maken aan de hand van een afwijking van de erflaatster van de wettelijke verdeling inzake de nalatenschap, of aan de hand van een wijziging van een eerder testament (Kamerstukken II, 2017-2018, 34 994, nr. 3, p. 11-14).
Tussen partijen is niet in geschil dat erflaatster haar testament van 2017 in 2021 heeft gewijzigd en dat eiser als gevolg daarvan minder uit de nalatenschap van erflaatster zal verkrijgen.
Het belang van eiser bij inzage in het medisch dossier van erflaatster kwalificeert gelet op het voorgaande als zwaarwegend belang in de zin van artikel 7:458a BW.
Eiser heeft de vordering tot inzage/afgifte van het medisch dossier slechts summier onderbouwd.
Hij heeft aangevoerd dat deze vordering wordt ingesteld voor zover de rechtbank op basis van de door hem ingenomen stellingen en overgelegde stukken niet kan concluderen dat erflaatster wilsonbekwaam was en dat het aanvullend testament daardoor nietig is.
De rechtbank begrijpt eiser aldus dat hij hiermee bedoelt dat hij in voornoemd zwaarwegend belang zal worden geschaad indien hij geen inzage/afschrift krijgt in het medisch dossier van erflaatster.
Zoals overwogen rust de stelplicht en de bewijslast met betrekking tot de wilsonbekwaamheid van erflaatster op eiser.
Volgens de Hoge Raad voldoet een partij in de regel aan zijn stelplicht door een voldoende onderbouwde medische verklaring in het geding te brengen die zijn stelling ondersteunt (HR 9 september 2016, HR:2016:2047).
Gelet hierop is voldoende aannemelijk dat het zwaarwegend belang van eiser zal worden geschaad als hij geen voldoende onderbouwde medische verklaring ter zake de wilsbekwaamheid van erflaatster kan overleggen.
Ten slotte moet worden beoordeeld of inzage noodzakelijk is voor de behartiging van voornoemd zwaarwegend belang van eiser.
Hiervoor is ten minste nodig dat sprake is van concrete aanwijzingen dat erflaatster ten tijde van het passeren van het aanvullend testament wilsonbekwaam was.
Naar het oordeel van de rechtbank is niet aan dit vereiste voldaan.
Eiser heeft ten aanzien van de noodzaak van inzage slechts aangevoerd dat uit het medisch dossier zal blijken dat erflaatster aan dementie (dan wel een andere geestelijke stoornis) leed.
Zelfs als dit het geval is, betekent dat niet zonder meer dat erflaatster op 20 april 2021 bij het passeren van haar testament wilsonbekwaam was.
Zoals de rechtbank heeft overwogen, was van wilsonbekwaamheid bij erflaatster ten tijde van het passeren van het aanvullend testament geen sprake.
Andere redenen waarom inzage in het medisch dossier van erflaatster noodzakelijk zou zijn, zijn door eiser niet gesteld en deze blijken evenmin uit de door hem overgelegde stukken.
Gelet op het voorgaande is niet voldaan aan de cumulatieve eisen van artikel 7:458a lid 1 sub c BW.
De vordering van eiser om gedaagden te veroordelen tot het verlenen van medewerking om inzage te krijgen in het medisch dossier zal daarom worden afgewezen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.