De Rechtbank Noord-Nederland heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de vraag of het testament nietig was vanwege een geestelijke stoornis. Was er sprake van een progressieve dementie bij de erflater?

De rechtbank acht eisers na het horen van de ouderengeneeskunde als getuige geslaagd in het bewijs van zijn stelling dat erflaatster ten tijde van het ondertekenen van het in geschil zijnde (laatste) testament, niet, althans onvoldoende, begreep wat zij deed en het vermogen miste haar wil – zoals neergelegd in dit testament – te bepalen en te verklaren.

Daartoe wordt het navolgende overwogen.

De ouderengeneeskunde heeft als getuige verklaard dat hij op basis van (enkel) de zuiver medische gegevens zoals die bijvoorbeeld blijken uit het dossier van de huisarts, en de zorg gerelateerde gegevens, zoals de dagrapportage van de hulpverlening en de CIZ-indicaties tot hetzelfde advies was gekomen als in zijn rapport is vermeld.

Hij heeft er daarbij op gewezen dat er in het medisch dossier van erflaatster is vermeld dat er reeds op 14 februari 2006 sprake was van beginnende dementie.

Hij heeft vervolgens zijn advies nader onderbouwd aan de hand van een door hem opgestelde en aan het proces-verbaal van zijn verhoor gevoegde tijdslijn.

Hij heeft vervolgens aangegeven dat hij geen twijfel heeft aan de diagnose progressieve dementie, hetgeen hij baseert op het dossier van de huisarts, de dagrapportages die hij heeft bestudeerd van 2009 tot eind 2010, en de CIZ-indicaties.

De ouderengeneeskunde heeft voorts aangegeven dat hij in zijn advies heeft geconcludeerd dat hij de sterke overtuiging heeft dat erflaatster ten tijde van de laatste wijziging van haar testament op 2 maart 2009 wilsonbekwaam was ten aanzien van die beslissing.

Hij heeft als getuige daaraan toegevoegd dat die kwalificatie voor hem min of meer de hoogste kwalificatie is die hij zou kunnen geven, omdat hij niet ter plekke aanwezig was en hij zich op stukken heeft gebaseerd.

Volgens hem hangt veel af van de vraag hoe de vragen aan erflaatster zijn gesteld, te weten of er sprake was van open of gesloten vragen en of er sturing is geweest in de vraagstelling.

Hij heeft verklaard dat mensen met dementie erg gevoelig zijn voor sturing door hun omgeving.

Juist daarom zijn ze zo kwetsbaar. Naar aanleiding van de vraag of de beslissing tot wijziging van een testament als eenvoudig of als complex wordt bestempeld, heeft de ouderengeneeskunde geantwoord dat dit niet alleen afhankelijk is van de keuze die moet worden gemaakt, maar ook van de vraag of de betrokkene in staat is de afweging te maken en daarbij oog heeft voor de gevolgen van die keuze voor eerdere beslissingen uit het verleden en voor de toekomst.

Uit onderzoek blijkt volgens hem dat het wijzigen van een testament over het algemeen een beladen beslissing is.

Volgens hem is het ook een complexe beslissing, omdat het niet alleen maar gaat om de keuze zelf en of de betrokkene kan uitleggen wat daarvan de gevolgen zijn, maar ook of de betrokkene zich voldoende rekenschap kan geven van de wijzigingen die zo’n keuze met zich brengen.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank voldoende bewezen dat erflaatster ten tijde van het opmaken van de uiterste wilsbeschikking aan een geestelijke stoornis leed, te weten progressieve dementie.

Is het testament nietig vanwege een geestelijke stoornis?

De rechter oordeelt als volgt.

De vraag is thans of de wilsverklaring onder invloed van deze geestelijke stoornis is gedaan, te weten in hoeverre de stoornis toen een redelijke waardering van de bij de uiterste wilsbeschikking betrokken belangen belette.

Voor een dergelijke “redelijke waardering” is vereist dat erflaatster ten tijde van het maken van haar uiterste wil inzicht heeft in haar (voor het erfrecht relevante) situatie en in staat is op het gebied van het erfrecht in vrijheid keuzes te onderscheiden en te maken en beslissingen te nemen, de gevolgen van die keuzes en beslissingen in rationeel en emotioneel opzicht te overzien en dit kenbaar te maken.

Verder is vereist dat zij de informatie of voorlichting die zij voor het maken van de uiterste wilsbeschikking van de notaris of van anderen krijgt zodanig begrijpt dat zij deze bij het onderscheiden en maken van haar keuzes en beslissingen kan betrekken.

In hoeverre sprake is of kan zijn van “een redelijke waardering” hangt niet alleen af van de aard en de zwaarte van de geestesstoornis maar ook van de aard en de ingrijpendheid van de uiterste wilsbeschikking en de aard en de zwaarte van de daarbij betrokken belangen.

Tussen deze drie elementen bestaat een wisselwerking.

Hoe zwaarder de geestesstoornis, hoe ingrijpender de beslissing en hoe zwaarder de belangen, des te hoger zijn telkens de eisen die aan een redelijke waardering mogen worden gesteld (zie: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 4 juli 2017, GHARL:2017:5626).

Gelet op de ingrijpende wijziging van haar beslissing ten opzichte van het voorlaatste testament en de omstandigheid dat sprake was van progressieve dementie, dienden in het onderhavige geval naar het oordeel van de rechtbank hoge eisen te worden gesteld aan de hiervoor bedoelde redelijke waardering.

De notaris heeft blijkens de uitspraak in de klachtprocedure aangegeven dat erflaatster op de vraag waar zij haar mee van dienst kon zijn, heeft geantwoord dat zij haar testament wilde wijzigen en wat de reden voor deze wijziging was.

Volgens de notaris is erflaatster in de beide gesprekken die zij met erflaatster heeft gevoerd, consistent geweest in wat zij wilde. Erflaatster heeft duidelijk gemotiveerd waarom zij het testament wilde aanpassen en realiseerde zich wat de gevolgen daarvan waren, aldus de notaris.

De rechtbank overweegt echter dat de notaris niet op de hoogte was van de inhoud van het voorlaatste testament en erflaatster dus ook niet heeft kunnen wijzen op de consequenties van haar beslissing in het licht van dit voorlaatste testament.

Weliswaar kan het zo zijn dat erflaatster bij de notaris heeft aangegeven dat zij gedaagden tot haar erfgenamen wenste te benoemen, maar gelet op de getuigenverklaring van de ouderengeneeskunde acht de rechtbank niet aannemelijk dat zij daarbij ook heeft kunnen overzien dat eisers als gevolg hiervan niet van haar zou erven.

Gesteld noch gebleken is dat dit expliciet bij de notaris – die zoals gezegd niet van de inhoud van het voorlaatste testament op de hoogte was – aan de orde is geweest, zodat de rechtbank er van zal uitgaan dat dit niet is geschied.

De stoornis belette dan ook naar het oordeel van de rechtbank een redelijke waardering van de bij de uiterste wilsbeschikking betrokken belangen.

Het kan zo zijn dat de betrokken notaris (alsmede de op enig moment tevens betrokken getuigen) geen twijfel hebben gehad over de geestesgesteldheid van erflaatster en dat in de klachtprocedure is geoordeeld dat zij ter zake niet onjuist heeft gehandeld, maar dit impliceert niet dat van wilsonbekwaamheid bij erflaatster geen sprake is geweest.

De notaris is geen medisch deskundige.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat bewezen is dat daarvan nu juist wél sprake is geweest.

De overige getuigeverklaringen kunnen aan het voorgaande naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende toe- of afdoen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.