Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 5 november 2019 uitspraak gedaan over de uitleg van een testament. Diende het testament van erflater zo uitgelegd te worden dat bedoeld is de wilsrechten van artikel 4:21 BW uit te sluiten?

Gelet op de vordering van de erfgenaam is het geschil in rechte beperkt tot de vraag of erflater heeft bedoeld om het wilsrecht van artikel 4:21 BW in het testament uit te sluiten.

Uitleg van een testament. Dient het testament van erflater zo uitgelegd te worden dat bedoeld is de wilsrechten uit te sluiten?

De rechter oordeelt als volgt.

Bij de uitleg van een laatste wil dient te worden gelet op het bepaalde in artikel 4:46 BW, dat handelt over de uitleg van de laatste wil.

Dit artikel luidt als volgt:

Artikel 4:46 BW:

1 Bij de uitlegging van een uiterste wilsbeschikking dient te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen, en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt.

2 Daden of verklaringen van de erflater buiten de uiterste wil mogen slechts dan voor uitlegging van een beschikking worden gebruikt, indien deze zonder die daden of verklaringen geen duidelijke zin heeft.

3 Wanneer een erflater zich klaarblijkelijk in de aanduiding van een persoon of een goed heeft vergist, wordt de beschikking naar de bedoeling van de erflater ten uitvoer gebracht, indien deze bedoeling ondubbelzinnig met behulp van de uiterste wil of met andere gegevens kan worden vastgesteld.

Ten tijde van het opstellen van de laatste wil was erflater al (geruime tijd) getrouwd met appellante. De echtgenote bedoeld in het testament is derhalve appellante en niet de vorige echtgenote van erflater.

Van een langstlevende ouder op wie geïntimeerden na diens overlijden een geldvordering zouden hebben als bedoeld in artikel 4:19 BW is daarmee geen sprake.

De uitsluiting van het wilsrecht van artikel 4:19 BW heeft dan geen duidelijke zin.

Dat artikel zou mogelijk alleen werking kunnen hebben als appellante zou willen hertrouwen.

Zonder uitsluiting van artikel 4:19 BW zou mogelijk (alleen) G dan aanspraak kunnen maken op de blote eigendom van door haar aan te wijzen goederen. Dat mogelijke belang betreft echter slechts een zeer beperkt belang.

Bovendien voorziet het testament in die situatie al in opeisbaarheid van de erfdelen, behoudens het geval dat appellante zou huwen onder huwelijkse voorwaarden die neerkomen op een “koude uitsluiting”.

Het uitsluiten van het wilsrecht van artikel 4:21 BW zou daarentegen wel duidelijke zin hebben.

Immers appellante is de stiefouder van geïntimeerden als bedoeld in artikel 4:21 BW en geïntimeerden hebben door het overlijden van erflater op haar een geldvordering verkregen overeenkomstig artikel 4:13 lid 3 BW.

Als het wilsrecht van artikel 4:21 BW inderdaad zou zijn uitgesloten zou appellante beschermd zijn tegen een vordering van geïntimeerden tot overdracht aan hen van goederen met een waarde van ten hoogste hun erfdeel.

Appellanten hebben ter onderbouwing van hun stelling dat erflater heeft bedoeld in zijn testament het wilsrecht van artikel 4:21 BW uit te sluiten, een schriftelijke verklaringen overgelegd.

Het hof is van oordeel dat uit deze verklaringen kan blijken van verklaringen van erflater dat het zijn bedoeling was om (ook) het wilsrecht van artikel 4:21 BW uit te sluiten.

Weliswaar betreft de verklaring formeel een verklaring van een partijgetuige, maar zijn verklaring ondersteunt naar het oordeel van het hof in overtuigende mate de verklaring van de notaris dat het de bedoeling van erflater was om appellante als langstlevende zo goed mogelijk te beschermen.

Het testament van erflater kan derhalve zo worden uitgelegd dat bedoeld is om (ook) het wilsrecht van artikel 4:21 BW uit te sluiten.

Feiten en omstandigheden die deze uitleg van het testament van erflater kunnen weerleggen, zijn door geïntimeerden niet aangedragen en van dergelijke feiten en omstandigheden is (dus) ook geen (tegen)bewijs aangeboden.

Het hof kent in dat verband geen relevant gewicht toe aan de omstandigheid dat uit de verklaring van de notaris niet blijkt waarom het wilsrecht van artikel 4:21 BW in het testament niet is uitgesloten.

Uit de verklaring van de notaris kan niet worden opgemaakt dat daaraan een wilsbesluit van erflater ten grondslag heeft gelegen en ook de verklaring van appellant biedt daar geen enkel aanknopingspunt voor.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.