Het Gerechtshof Den Haag heeft op 4 augustus 2020 uitspraak gedaan over de vernietiging van een testament van een hoogbejaarde, demente erflater.

In het tussenarrest heeft het hof reeds overwogen dat de curator van erflaatster een zeer actieve rol heeft gehad bij het wijzigen van het testament van erflaatster.

Erflaatster was onder curatele gesteld vanwege dementie, de curator was haar wettelijke vertegenwoordiger.

Dat de curator controleert of erflaatster een testament heeft past binnen de taak van een curator.

De curator kan dan het contact leggen met een notaris en als zij weet dat erflaatster een notaris heeft legt de curator het contact met de huisnotaris van de betrokkene.

Vernietiging van een testament van een hoogbejaarde, demente erflater. Wijziging van een testament. Wilsbekwaamheid en juridische wil. Bewijslastverdeling.

De rechter oordeelt als volgt.

De curator kan aan de notaris een opgave doen van het vermogen van erflaatster en in algemene zin informatie verstrekken. Vervolgens is het de taak van de notaris om te onderzoeken wat de wil is van de erflater of erflaatster die onder curatele is gesteld.

Het behoort tot de kernverantwoordelijkheid van de notaris om in te staan voor een vrije en onafhankelijke wilsvorming van de erflater of erflaatster.

De notaris moet zich er in het kader van zijn zorgplicht van vergewissen dat een erflater of erflaatster zelfstandig, zonder beïnvloeding door derden, in staat is zijn of haar rechtens relevante wil te vormen en dat de inhoud en de gevolgen van een te ondertekenen testament daarmee in overeenstemming zijn.

Dit brengt naar het oordeel van het hof met zich mee dat de notaris in ieder geval de testateur of testatrice alleen moet hebben gesproken bij het opgeven van zijn of haar wil en dat de notaris alleen moet zijn met de testateur of testatrice – zo nodig in aanwezigheid van de getuigen – bij het passeren van het testament.

Het testament is een eenzijdige, herroepelijke en vormgebonden en hoogstpersoonlijke rechtshandeling.

Naar het oordeel van het hof wordt de notaris niet van voornoemde zorgplicht ontslagen als de erflaatster of erflater verzoekt om een derde bij het gesprek aanwezig te laten zijn.

De notaris moet dan ook alleen met erflaatster of erflater, dus zonder aanwezigheid van derden, gesproken hebben.

Ook wanneer derden niet actief aan het gesprek deelnemen of wanneer het een grote ruimte betreft behoren de derden niet in dezelfde ruimte te verblijven als de notaris. De notaris moet ook acht slaan op het risico van (non-verbale) beïnvloeding door derden.

Een uitzondering kan worden gemaakt als het betreft een professionele adviseur van erflater of erflaatster zoals een fiscalist of accountant, zij het slechts in de beginfase van het opstellen van het testament.

Echter deze adviseurs dienen ook niet aanwezig te zijn bij het passeren van het testament.

In het onderhavige geval is de curator bij alle relevante gesprekken aanwezig geweest en wordt deze gezien als een derde die niet aanwezig behoort te zijn bij het opgeven van de wil alsmede bij het passeren van het testament.

De curator wordt niet gezien als een professionele adviseur en ook al is de curator de wettelijke vertegenwoordiger, deze vertegenwoordigt erflater in beginsel niet bij het maken van een uiterste wil gezien dat de rechtshandeling hoogstpersoonlijk is.

Art. 4:55 lid 2 Burgerlijk Wetboek maakt dat niet anders.

 Geïntimeerde geeft in zijn memorie na getuigenverhoor gesteld dat het hof de lat voor de wilsbekwaamheid in deze zaak veel te hoog heeft gelegd.

Het criterium is volgens geïntimeerde of erflaatster zelfstandig kon bepalen over de bestemming van haar vermogen, niet of zij alle juridische en fiscale gevolgen van haar testament kon doorgronden.

De vraag of erflaatster als gevolg van een geestelijke stoornis wilsonbekwaam was mag niet beoordeeld worden aan de hand van de inhoud van het testament.

In de visie van geïntimeerde is het hof van een onjuiste grondslag uitgegaan bij de beantwoording van de vraag of erflaatster al dan niet wilsbekwaam is.

Appellant maakt in zijn akte van 24 maart 2020 bezwaar tegen de pagina`s 1 tot en met 4 waarbij geïntimeerde onder meer stelt dat het hof van een verkeerde grondslag is uitgegaan.

Het hof is van oordeel dat het van een juiste grondslag is uitgegaan.

Een rechtshandeling vereist een op een rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft geopenbaard (art. 3:33 BW).

Een eenzijdige rechtshandeling die niet tot een of meer bepaalde personen gericht was, wordt door het ontbreken van een wil nietig geacht (art. 3:34 lid 2).

Wil en verklaring zijn derhalve essentieel om te concluderen tot een rechtshandeling. De wil moet op rechtsgevolg zijn gericht en die verklaring moet zijn geopenbaard.

In art. 3:34 lid 1 BW wordt uitgegaan van iemand wiens geestvermogens blijvend of tijdelijk zijn gestoord.

Als zo iemand iets verklaart geldt het wettelijke vermoeden: Een met de verklaring overeenstemmende wil wordt geacht te ontbreken indien de stoornis a) een redelijke waardering der bij de handeling betrokken belangen belette of b) indien de verklaring onder invloed van die stoornis is gedaan.

Naar het oordeel van het hof moet van geval tot geval worden beoordeeld of de stoornis een redelijke waardering van betrokken belangen belette en welke invloed de stoornis heeft of kan hebben op de verklaring (zo ook art. 4:55 lid 3 BW).

De aard van de rechtshandeling en daarmee verband houdende rechtsgevolgen zijn derhalve van belang met betrekking tot de beoordeling van de vraag of de betrokkene de gevolgen heeft kunnen overzien in de context van zijn of haar geestestoestand.

Naarmate de complexiteit toeneemt, dient nauwkeuriger beoordeeld te worden of de betrokkene, in dit geval een wegens dementie onder curatele gestelde vrouw van 104 jaar, het ook daadwerkelijk heeft begrepen.

In het privaatrecht staat de juridische wil centraal, in die zin dat het recht bepaalt of voldaan is aan het wilsvereiste van art. 3:33 BW.

Er mag door artsen vooraf of achteraf van alles en nog wat worden gevonden van de psychische toestand van een persoon, de uitkomst is niet noodzakelijk bepalend voor het antwoord op de vraag of de persoon handelingsonbekwaam is en of rechtsgevolgen zijn verbonden aan de door hem of haar gestelde rechtshandeling.

In het privaatrecht is de juridische wil terdege te onderscheiden van wil in medische en psychologische zin. Bevindingen van medici en psychologen omtrent de wilsbekwaamheid dienen tegen die achtergrond te worden beoordeeld.

Het is de verantwoordelijkheid van de notaris om vast te stellen of de testateur zijn of haar wil kan bepalen, dat wil zeggen of de wil van de testateur gericht is op juridische gevolgen en als dat het geval is of de testateur de rechtsgevolgen van zijn of haar vast te leggen wil kan overzien.

Het gaat dus om de juridische wil van erflaatster op het moment van het passeren van het testament (art. 4:55 lid 3 BW).

Om tot een testament te kunnen komen, stelt de notaris ook vast of de testateur zijn of haar wil kan bepalen bij de bespreking waarin de testateur zijn of haar uiterste wil opgeeft aan die de notaris.

Als de notaris heeft vastgesteld dat de testateur zijn of haar wil kan bepalen, vertaalt de notaris de wil van de testateur naar een concepttekst van de uiterste wil.

Het feit dat de kantonrechter toestemming heeft verleend aan de onder curatele gestelde om bij testament over haar nalatenschap te beschikken, ontslaat de notaris niet van zijn verplichting om te onderzoeken of erflaatster haar wil kan bepalen en dat zij de rechtsgevolgen van haar handelen kan overzien.

In het kader van het onderzoek van de kantonrechter had de kantonrechter dienen te onderzoeken: a) de omvang van het vermogen van erflaatster, b) de wijze van afwikkeling van het vermogen van erflaatster, c) de rol van de executeur van erflaatster alsmede als oprichter van de stichting met betrekking tot het vermogen van erflaatster d) de inhoud van de statuten van de stichting.

Uit het getuigenverhoor van de kantonrechter is komen vast te staan dat zij op het moment van het gesprek met erflaatster geen inzicht had in het vermogen van erflaatster.

Ook had zij geen inzicht in de statuten van de stichting die nog opgericht zou gaan worden noch had zij inzicht op welke wijze het aanzienlijke vermogen de komende 25 jaar zou worden beheerd.

Tijdens het gesprek met erflaatster had zij niet de beschikking over het financiële dossier van erflaatster terwijl zij daar wel over had kunnen beschikken.

Dit volgt uit de getuigenverklaring van de curator bij het hof die jaarlijks rekening en verantwoording moest afleggen met betrekking tot de financiën van erflaatster.

Met betrekking tot het stappenplan van de notaris verwijst het hof naar hetgeen het hof in het tussenarrest van 30 juli 2019 in rechtsoverweging 53 tot en met 54 heeft geoordeeld.

Naar het oordeel van het hof mogen de rechtsgevolgen van de wilsverklaring van erflaatster meewegen als het handelen van de notaris aan de rechter wordt voorgelegd.

Het in 2015 gepasseerde testament week sterk af van het testament dat in 2012 is gepasseerd.

In het tussenarrest van 30 juli 2019 heeft het hof al de opmerkelijke gang van zaken weergeven waaronder het testament van erflater in 2015 is gepasseerd:

a) erflaatster was onder curatele gesteld vanwege dementie, b) erflaatster was 104 jaar en voor haar verzorging afhankelijk van de curator c) erflaatster had al in 2012 een testament gepasseerd bij een andere notaris, d) de curator heeft het initiatief genomen tot aanpassing van het testament van erflaatster uit 2012, e) de curator heeft A BV benaderd voor het veranderen van het testament van erflaatster, e) de A heeft vervolgens contact gelegd met notaris voor het aanpassen van het testament van erflaatster, f) A en de notaris hebben erflaatster bezocht in aanwezigheid van de curator, g) door A is een tekstvoorstel gedaan voor een deel van het testament van erflaatster, h) A is executeur-afwikkelingsbewindvoerder in de nalatenschap van erflaatster, i) A heeft als executeur-afwikkelingsbewindvoerder na het overlijden van erflaatster de stichting opgericht die het beheer kreeg over het vermogen van erflaatster, j) A had en heeft de volledige controle over het vermogen van erflaatster, k) het testament en de uitvoering van de wil is dermate complex dat erflaatster dit mede door haar psychische en lichamelijke situatie niet zelf heeft kunnen bedenken.

De advocaat van geïntimeerde heeft dit in die zin erkend.

Uit het tussenarrest van 30 juli 2019 volgt dat het hof van een juiste bewijslastverdeling is uitgegaan.

Op appellant rust de stelplicht en bewijslast of erflaatster haar wil kon bepalen bij het passeren van het testament.

Op basis van hetgeen appellant in appel had gesteld en heeft bewezen is het hof voorshands tot het oordeel gekomen dat erflaatster haar wil zoals verwoord in het testament van 2015 niet kon bepalen en heeft het hof geïntimeerde toegelaten tot het leveren van tegenbewijs.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.